Samenvatting Psychologie
Bijeenkomst 1 kwaliteit van leven
Zimbardo 7.4.3 late volwassenheid
Biologisch perspectief: mensen gaan acteruit energiereservers neemt af en celmachinerie
functioneert minder.
Cognitief perspectief: achteruitgang, veel vermogens. Vakkennis en bepaalde aspecten van het
geheugen kunnen beter worden naarmate iemand ouder wordt.
Eriksons crisis: integriteit tegenover wanhoop. Integriteit: vermogen om zonder spijt en met een
gevoel van heelheid op het leven terug te kijken. Degene die vorige crises niet hebben verwerkt
kunnen deze laatste ontwikkelingsfase niet succesvol oplossen.
Fysieke veranderingen bij ouderdom, grijs, rimpels, 5 centimeter korter.
Cognitieve veranderingen: frontaalkwabben kleiner naarmate iemand ouder wordt. Weinig bewijs
dat cognitieve vermogen minder worden. Beroep op fantasie door oude & nieuwe herinneringen met
elkaar te verbinden wordt minder. Minder snel informatie opnemen. Achteruitgang compenseren
door informatie op ander wijze te verwerken. Ouder worden geen invloed op toegankelijkheid van
kennis & gebeurtenissen die lang gelden zijn opgeslagen.
Ziekte van Alzheimer
Sociale & emotionele veranderingen: selectiever in de keuzes van de sociale relaties. Emotionele
systemen worden scherper in sommige opzichten naarmate de jaren vorderen.
Sleutel voor succesvol ouder worden: Nauw contact met mensen hebben ouderen nodig. Invloed
verlies te beperken.
Feldman 5.3 cognitieve ontwikkeling
Cohorteffecten: invloeden die zijn toegeschreven aan het feit dat mensen in een bepaald tijdperk
zijn opgegroeid.
Sequentieel onderzoek: meerdere groepen van verschillende leeftijden op verschillende momenten
te testen.
De vloeibare intelligentie neemt af (het vermogen nieuwe problemen en situaties te hanteren).
Gekristalliseerde intelligentie blijft stabiel of verbetert (alle informatie, vaardigheden en
strategieën die we in de loop der tijd hebben verzameld)
Plasticiteit: mate waarin een zich ontwikkelende structuur of zich ontwikkeld gedrag veranderbaar is
en gevoelig voor ervaring.
Toename cognitieve vaardigheden vooral bij praktische intelligentie en bij taken die te maken
hebben met het dagelijks leven.
Geheugen:
, - Episodisch herinneringen: geheugenverlies door herinneringen die verband houden met
specifieke vaardigheden
- Semantische herinneringen: algemene kennis en feiten.
- Impliciete herinneringen: niet bewust van zijn dat de herinneringen er zijn. Niet gevoelig voor
leeftijd.
Kortetermijngeheugen minder goed werken.
Autobiografisch geheugen: herinneringen aan het eigen leven
Pollyannaprincipe; aangename gebeurtenissen makkelijker herinnert worden dan onaangename
gebeurtenissen.
Verklaringen voor veranderingen in geheugen. Omgevingsfactoren, fouten informatieverwerking,
biologische factoren.
Ouderen meestal geen moeite om het hoge niveau van de colleges te volgen.
Feldman 6.1.4 leefstijlen
Disengagement Theory: Het idee dat ouderen zich langzaam mogen onthechten uit de
maatschappij en taken (werk, sociale contacten) los mogen laten/overdragen aan anderen.
Activity-theory: Het optimistische idee dat ouderen, met de nodige oefening en stimulans, hun volle
psychische mogelijkheden kunnen behouden. Activiteiten en sociale contacten uit de middelbare
leeftijd blijven voortzetten hierdoor worden ze gelukkiger.
Continuity-theory: Het idee dat het voor ouderen van belang is competent te blijven en voor zichzelf
een gewenst niveau van betrokkenheid met de maatschappij te handhaven. Gevoel van welzijn en
zelfachting een door hun gewenst niveau van betrokkenheid bij de maatschappij moeten
vasthouden.
Bijeenkomst 1 kwaliteit van leven
Zimbardo 7.4.3 late volwassenheid
Biologisch perspectief: mensen gaan acteruit energiereservers neemt af en celmachinerie
functioneert minder.
Cognitief perspectief: achteruitgang, veel vermogens. Vakkennis en bepaalde aspecten van het
geheugen kunnen beter worden naarmate iemand ouder wordt.
Eriksons crisis: integriteit tegenover wanhoop. Integriteit: vermogen om zonder spijt en met een
gevoel van heelheid op het leven terug te kijken. Degene die vorige crises niet hebben verwerkt
kunnen deze laatste ontwikkelingsfase niet succesvol oplossen.
Fysieke veranderingen bij ouderdom, grijs, rimpels, 5 centimeter korter.
Cognitieve veranderingen: frontaalkwabben kleiner naarmate iemand ouder wordt. Weinig bewijs
dat cognitieve vermogen minder worden. Beroep op fantasie door oude & nieuwe herinneringen met
elkaar te verbinden wordt minder. Minder snel informatie opnemen. Achteruitgang compenseren
door informatie op ander wijze te verwerken. Ouder worden geen invloed op toegankelijkheid van
kennis & gebeurtenissen die lang gelden zijn opgeslagen.
Ziekte van Alzheimer
Sociale & emotionele veranderingen: selectiever in de keuzes van de sociale relaties. Emotionele
systemen worden scherper in sommige opzichten naarmate de jaren vorderen.
Sleutel voor succesvol ouder worden: Nauw contact met mensen hebben ouderen nodig. Invloed
verlies te beperken.
Feldman 5.3 cognitieve ontwikkeling
Cohorteffecten: invloeden die zijn toegeschreven aan het feit dat mensen in een bepaald tijdperk
zijn opgegroeid.
Sequentieel onderzoek: meerdere groepen van verschillende leeftijden op verschillende momenten
te testen.
De vloeibare intelligentie neemt af (het vermogen nieuwe problemen en situaties te hanteren).
Gekristalliseerde intelligentie blijft stabiel of verbetert (alle informatie, vaardigheden en
strategieën die we in de loop der tijd hebben verzameld)
Plasticiteit: mate waarin een zich ontwikkelende structuur of zich ontwikkeld gedrag veranderbaar is
en gevoelig voor ervaring.
Toename cognitieve vaardigheden vooral bij praktische intelligentie en bij taken die te maken
hebben met het dagelijks leven.
Geheugen:
, - Episodisch herinneringen: geheugenverlies door herinneringen die verband houden met
specifieke vaardigheden
- Semantische herinneringen: algemene kennis en feiten.
- Impliciete herinneringen: niet bewust van zijn dat de herinneringen er zijn. Niet gevoelig voor
leeftijd.
Kortetermijngeheugen minder goed werken.
Autobiografisch geheugen: herinneringen aan het eigen leven
Pollyannaprincipe; aangename gebeurtenissen makkelijker herinnert worden dan onaangename
gebeurtenissen.
Verklaringen voor veranderingen in geheugen. Omgevingsfactoren, fouten informatieverwerking,
biologische factoren.
Ouderen meestal geen moeite om het hoge niveau van de colleges te volgen.
Feldman 6.1.4 leefstijlen
Disengagement Theory: Het idee dat ouderen zich langzaam mogen onthechten uit de
maatschappij en taken (werk, sociale contacten) los mogen laten/overdragen aan anderen.
Activity-theory: Het optimistische idee dat ouderen, met de nodige oefening en stimulans, hun volle
psychische mogelijkheden kunnen behouden. Activiteiten en sociale contacten uit de middelbare
leeftijd blijven voortzetten hierdoor worden ze gelukkiger.
Continuity-theory: Het idee dat het voor ouderen van belang is competent te blijven en voor zichzelf
een gewenst niveau van betrokkenheid met de maatschappij te handhaven. Gevoel van welzijn en
zelfachting een door hun gewenst niveau van betrokkenheid bij de maatschappij moeten
vasthouden.