3.1 Krachten en hun eigenschappen
Opgave 1
Twee bolletjes A en B zijn positief geladen. Tussen de bolletjes werkt een elektrische kracht waardoor ze
elkaar afstoten. De kracht op A grijpt aan in het ‘midden’ van het bolletje. De onderlinge kracht bedraagt
20 mN.
a Teken de kracht op bolletje A, waarbij 1 cm 5 mN.
b Teken ook de kracht op bolletje B.
Opgave 2
In figuur 3.1 zie je een foto van een krachtmeter. Op de foto komt 1,0 cm overeen met 2,8 cm in
werkelijkheid.
Figuur 3.1
In zo’n meter zit een spiraalveer. De trekkracht van de veer is evenredig met de uitrekking:
Hierin is C de veerconstante van de veer.
a In welke eenheid kun je de veerconstante uitdrukken als je gebruik maakt van de bovenstaande
gegevens?
b Bepaal de eenheid van de veerconstante uitgedrukt in grondeenheden van het SI.
c Bepaal aan de hand van de afgebeelde schaalverdeling hoe groot de veerconstante van de
krachtmeter is.
Opgave 3
Bij bungeejumpen spring je van een grote hoogte naar beneden, terwijl je met een stevig soort elastiek
vastzit.
Tim maakt een bungeejump. Het elastiek is 30 m lang als het niet is uitgerekt. Als Tim op het diepste punt
is, is het elastiek 78 m lang. Tijdens het uitrekken van het elastiek werken op Tim de zwaartekracht en de
veerkracht
a Leg uit dat in het diepste punt de veerkracht groter is dan de zwaartekracht.
Ga ervan uit dat het elastiek zich gedraagt als een veer met een veerconstante van 30 N/m.
b Bereken de massa van Tim.
© ThiemeMeulenhoff bv Pagina 1 van 19