1. Er is een interventie nodig wat op korte termijn effect heeft. Welke interventie zou je NIET kiezen?
A. My teaching Partner
B. Taakspel
C. Relatie Reflectie Programma (RFRP)
2. De leerkracht irriteert zich aan het externaliserend gedrag van één leerling in de klas? Welke
interventie zou je kiezen?
A. Banking Time
B. Relatie Reflectie Programma (RFRP)
C. Taakspel
3. Met de interventie wil je kijken naar het klasniveau en niet het dyadische niveau. Welke
interventie kan je kiezen?
A. Banking time
B. Relatie Reflectie Programma (RFRP)
C. My Teaching Programma
4. Welke van onderstaande stellingen is waar:
A. Adolescenten maken vooral gebruik van de functie veilige haven
B. Adolescenten maken vooral gebruik van de functie veilige basis
C. Adolescenten hebben vooral fysieke nabijheid nodig in de gehechtheidsrelatie
5. Welke van onderstaande stellingen is NIET waar:
A. Intern werkmodel gaat over relaties met specifieke mensen
B. Geïnternaliseerd beeld gaat over relaties met specifieke mensen
C. Intern werkmodel gaat over overkoepelende representatie
6. Waar hoort de volgende stelling bij: Psychiatrische stoornis stimuleert gehechtheidsgedrag/zoeken
van nabijheid
A. Artikel over schoolcontext (Verschueren & Koomen)
B. Artikel over oudere leerlingen (Verschuren)
C. Artikel over jeugdzorg (Adshead)
7. Waar hoort de volgende stelling bij: Hechtingsproblemen als verklaring voor gedragsproblemen &
hulpverleners met hechtingsproblemen
A. Artikel over schoolcontext (Verschueren & Koomen)
B. Artikel over oudere leerlingen (Verschuren)
C. Artikel over jeugdzorg (Adshead)
8. Wat hoort niet bij instructiekwaliteit volgens de Teaching through Interaction Framework?
A. Concept ontwikkeling
B. Taal Modeling
C. Instructieleervormen
9. Wat hoort niet bij klasorganisatie volgens de Teaching Through Interaction Framework?
, A. Overcontrole
B. Productiviteit
C. Instructieleervormen
10. Onderzoek in Amerika over de kwaliteit in de klas. Wat was het laagst?
A. Instructionele ondersteuning
B. Emotionele ondersteuning
C. Gedragsmanagement
11. Hoe kan de leerkracht voldoen aan de basisbehoeften competentie:
A. Autonomie ondersteuning
B. Verbondenheid
C. Structuur
12. Bij welke theorie is instructiekwaliteit het belangrijkste?
A. Teaching Through Interaction Framework
B. Zelfdeterminatietheorie
C. Interpersoonlijke theorie
13. Het corrigeren van gedrag, nadat een leerling iets bij een andere leerling heeft afgepakt is…
A. Proactief
B. Reactief
C. Direct
14. Wat valt niet onder reactieve gedragsmanagement
A. Overlapping
B. Firmness
C. Clarity
15. De leerkracht heeft altijd precies door wat er gaande is in de klas, zelf als hij voor het bord staat
dan heeft hij door wat er achter hem gebeurd en corrigeert hij de leerlingen. Dit is..
A. Overlapping
B. Group focus
C. Withithness
16. De leerkracht doet de overgangen van activiteit te snel. De leerlingen kunnen het niet volgen. Dit
is…
A. Minimizing satisation
B. Jerkiness
C. Slowdowns
17. In de klas is er weinig controle & matige warmte. Dit is..
A. Laissez-faire
B. Democratisch
C. Autoritair