MODULE 7 – LITERATUUR VAN DE JAREN 50 EN 60 VAN DE TWINTIGSTE EEUW
1 Historische context
1.1 Koude Oorlog en dekolonisatie
Na de Tweede Wereldoorlog: raakt de wereld verzeild in Koude Oorlog.
Koude Oorlog: een kapitalistisch en democratisch blok bestaande uit de Verenigde Staten en bondgenoten stond
tegenover de communistische Sovjet-Unie met satellietstaten in Oost-Europa.
Koude Oorlog: veroorzaakte gevoelens van pessimisme en angst.
Na WO II: begon dekolonisatieproces leidde tot einde van westerse koloniale overheersing in Afrika en Azië.
Belangrijke kenmerken van moderniteit in politiek: Europese expansie en vorming natiestaten.
Moderniteit: te beschouwen als periode van Europese economische en intellectuele dominantie in de wereld.
1.2 Overlevingsmaatschappij en belevingsmaatschappij
Nederland na WOII: was overlevingsmaatschappij.
Overlevingsmaatschappij: inwoners worden geconfronteerd met levensmiddelenschaarste en woningnood.
Tijdens periode wederopbouw: stond fysieke wederopbouw en herstel van vooroorlogse verhoudingen centraal.
In Nederland: bleef verzuiling bestaan.
In jaren 50: kwam rebellerende jeugdcultuur tot ontwikkeling.
Jeugdcultuur: jongeren verzetten zich tegen de bevoogdende mentaliteit en preutsheid.
Jeugdcultuur: was ook tegencultuur van verzet tegen macht en gezag.
Tweedeling in Nederland werd zichtbaar: verlangen naar herstel van traditionele gezagsverhoudingen en
burgerlijke roep om rust en orde (restauratie) stonden tegenover het verlangen naar vrijheid en verandering.
Nederland: werd in jaren 60 welvarend.
Belangrijke economische vondst: grote hoeveelheden aardgas in Groningen.
Snelle stijging van welvaart leidde tot: consumptiemaatschappij tv wordt hier symbool van.
Overlevingsmaatschappij veranderde in belevenismaatschappij.
Belevenismaatschappij: maatschappij die meer individueel-psychologisch gericht is.
Kenmerkend belevenismaatschappij: accent op innerlijke groei, persoonlijke emancipatie en belang van individueel
genieten.
In jaren 60: kwam eind aan verzuiling democratie, individualisering, emancipatie en gelijkheid werden
belangrijk.
2 Culturele context
2.1 Filosofie: existentialisme en kritische theorie
Existentiefilosofie (Sartre): existentie (het concrete menselijke bestaan) voorafgaat aan essentie (dat wat een mens
is of zal worden) de mens bestaat eerst en bepaalt dan zelf wat hij zal zijn en wordt.
Belangrijk: mens heeft een vrije wil en is zelf verantwoordelijk voor zijn keuzes.
Volgens Sartre: bestaat God niet verklaart de verlatenheid en angst van de mens.
Existentialisme: werd soort levensstijl waarvan zwarte kleding en luisteren naar jazz en chansons de bekendste
uiterlijke verschijningsvormen waren.
Gedachtegoed van denkers van kritische theorie (Frankfurter Schule): werd in jaren 60 populair bij
studentenbeweging.
Kritische theorie: beschouwde maatschappij als totaliteit die het gehele leven bepaalde.
Filosofen kritische theorie: sloten zich aan bij opvattingen over maatschappelijke vervreemding van Marx.
Kritische theorie: pleitte voor individu individu moest gered worden van vervreemding.
Vraag die centraal stond bij kritische theorie: hoe individu zich los kon maken uit greep van een niet door hemzelf
geschapen alomvattend systeem van de maatschappelijke orde.
In kritische theorie stond opvatting centraal: dat idealen van Verlichting zijn bedorven.
In Verlichting was: rede de kracht tot bevrijding en emancipatie geweest in moderne tijd verworden tot kracht
van onderdrukking.
Kritische rede: was gereduceerd tot ‘instrumentele rede’.
Rede: is doel op zich geworden.
Filosofie van Adorno en kritische theorie: beschouwen als kritische modernistische reacties op moderniteit.
Adorno’s pleidooi voor: autonome, niet vervreemde mens en afwijzen van massacultuur en cultuurindustrie zijn
typerend voor modernisme.
Sartres antwoord op moderniteit: is mensbeeld van voor de moderniteit.
2.2 Kunst in de jaren 50 en 60
Jaren 50 en 60: waren succesjaren van abstracte kunst in de Verenigde Staten.
In Europa: was er abstracte en figuratieve kunst.
Werk van Bacon: veroorzaakte protesten omdat het publiek zijn kunst gruwelijk en morbide vond.
Zijn kunst ging over: de eenzame en lichamelijk kwetsbare, naoorlogse mens.
1 Historische context
1.1 Koude Oorlog en dekolonisatie
Na de Tweede Wereldoorlog: raakt de wereld verzeild in Koude Oorlog.
Koude Oorlog: een kapitalistisch en democratisch blok bestaande uit de Verenigde Staten en bondgenoten stond
tegenover de communistische Sovjet-Unie met satellietstaten in Oost-Europa.
Koude Oorlog: veroorzaakte gevoelens van pessimisme en angst.
Na WO II: begon dekolonisatieproces leidde tot einde van westerse koloniale overheersing in Afrika en Azië.
Belangrijke kenmerken van moderniteit in politiek: Europese expansie en vorming natiestaten.
Moderniteit: te beschouwen als periode van Europese economische en intellectuele dominantie in de wereld.
1.2 Overlevingsmaatschappij en belevingsmaatschappij
Nederland na WOII: was overlevingsmaatschappij.
Overlevingsmaatschappij: inwoners worden geconfronteerd met levensmiddelenschaarste en woningnood.
Tijdens periode wederopbouw: stond fysieke wederopbouw en herstel van vooroorlogse verhoudingen centraal.
In Nederland: bleef verzuiling bestaan.
In jaren 50: kwam rebellerende jeugdcultuur tot ontwikkeling.
Jeugdcultuur: jongeren verzetten zich tegen de bevoogdende mentaliteit en preutsheid.
Jeugdcultuur: was ook tegencultuur van verzet tegen macht en gezag.
Tweedeling in Nederland werd zichtbaar: verlangen naar herstel van traditionele gezagsverhoudingen en
burgerlijke roep om rust en orde (restauratie) stonden tegenover het verlangen naar vrijheid en verandering.
Nederland: werd in jaren 60 welvarend.
Belangrijke economische vondst: grote hoeveelheden aardgas in Groningen.
Snelle stijging van welvaart leidde tot: consumptiemaatschappij tv wordt hier symbool van.
Overlevingsmaatschappij veranderde in belevenismaatschappij.
Belevenismaatschappij: maatschappij die meer individueel-psychologisch gericht is.
Kenmerkend belevenismaatschappij: accent op innerlijke groei, persoonlijke emancipatie en belang van individueel
genieten.
In jaren 60: kwam eind aan verzuiling democratie, individualisering, emancipatie en gelijkheid werden
belangrijk.
2 Culturele context
2.1 Filosofie: existentialisme en kritische theorie
Existentiefilosofie (Sartre): existentie (het concrete menselijke bestaan) voorafgaat aan essentie (dat wat een mens
is of zal worden) de mens bestaat eerst en bepaalt dan zelf wat hij zal zijn en wordt.
Belangrijk: mens heeft een vrije wil en is zelf verantwoordelijk voor zijn keuzes.
Volgens Sartre: bestaat God niet verklaart de verlatenheid en angst van de mens.
Existentialisme: werd soort levensstijl waarvan zwarte kleding en luisteren naar jazz en chansons de bekendste
uiterlijke verschijningsvormen waren.
Gedachtegoed van denkers van kritische theorie (Frankfurter Schule): werd in jaren 60 populair bij
studentenbeweging.
Kritische theorie: beschouwde maatschappij als totaliteit die het gehele leven bepaalde.
Filosofen kritische theorie: sloten zich aan bij opvattingen over maatschappelijke vervreemding van Marx.
Kritische theorie: pleitte voor individu individu moest gered worden van vervreemding.
Vraag die centraal stond bij kritische theorie: hoe individu zich los kon maken uit greep van een niet door hemzelf
geschapen alomvattend systeem van de maatschappelijke orde.
In kritische theorie stond opvatting centraal: dat idealen van Verlichting zijn bedorven.
In Verlichting was: rede de kracht tot bevrijding en emancipatie geweest in moderne tijd verworden tot kracht
van onderdrukking.
Kritische rede: was gereduceerd tot ‘instrumentele rede’.
Rede: is doel op zich geworden.
Filosofie van Adorno en kritische theorie: beschouwen als kritische modernistische reacties op moderniteit.
Adorno’s pleidooi voor: autonome, niet vervreemde mens en afwijzen van massacultuur en cultuurindustrie zijn
typerend voor modernisme.
Sartres antwoord op moderniteit: is mensbeeld van voor de moderniteit.
2.2 Kunst in de jaren 50 en 60
Jaren 50 en 60: waren succesjaren van abstracte kunst in de Verenigde Staten.
In Europa: was er abstracte en figuratieve kunst.
Werk van Bacon: veroorzaakte protesten omdat het publiek zijn kunst gruwelijk en morbide vond.
Zijn kunst ging over: de eenzame en lichamelijk kwetsbare, naoorlogse mens.