Week 1 - Het legaliteitsbeginsel, overgangsrecht en rechtsmacht
Week 2 – Causaliteit en wederrechtelijkheid
Week 3 - De subjectieve zijde van een strafbaar feit: opzet
Week 4 – De subjectieve zijde van een strafbaar feit: schuld
Week 5 - Strafuitsluitingsgronden
Week 6 - Poging en voorbereiding
Week 7 - (Fysiek) daderschap, functioneel daderschap, daderschap van de
rechtspersoon en de aansprakelijkheid van feitelijk leidinggevers/opdrachtgevers
Week 8 – Deelneming
Week 9 - Samenloop en het ne bis in idem-beginsel
,Materiële vragen art. 350 Sv
1. Is het tenlastegelegde feit bewezen? (bewijsvraag)
Ook wel: kunnen alle relevante onderdelen van de tenlastelegging worden bewezen?
Ja: bewezenverklaring tenlastelegging
Nee: vrijspraak (o.g.v. art. 352 lid 1 Sv)
2. Is het bewezenverklaarde strafbaar? (kwalificatievraag)
Ook wel: past de bewezenverklaring exact binnen een delictsomschrijving?
Ja: bewezenverklaarde levert een strafbaar feit op
Nee: OVAR (o.g.v. art. 352 lid 2 Sv)
3. Is de verdachte strafbaar?
Wederrechtelijkheid of schuld (in de zin van verwijtbaarheid) zijn bestanddelen?
terug naar eerste vraag 350 Sv (bewijsvraag) en bij een geslaagd beroep op
strafuitsluitingsgrond vrijspraak
Wederrechtelijkheid of schuld (in de zin van verwijtbaarheid) zijn elementen?
vooronderstelde ‘wederrechtelijkheid’ dan wel ‘verwijtbaarheid’ vervallen bij een geslaagd
beroep op strafuitsluitingsgrond OVAR
4. Welke straf en/of maatregel moet worden opgelegd?
Strafoplegging art. 351 Sv
Ideaaltypische delictsomschrijvingen: wederrechtelijkheid en schuld in de zin van
verwijtbaarheid zijn niet in de delictsomschrijving opgenomen. Wederrechtelijkheid en schuld
in de zin van verwijtbaarheid zijn dan elementen van het strafbare feit (niet in de
delictsomschrijving opgenomen – en dus ongeschreven – voorwaarden voor strafbaarheid).
Voorbeeld: art. 287 Sr.
Niet-ideaaltypische delictsomschrijvingen: wederrechtelijkheid en schuld in de zin van
verwijtbaarheid (culpa) zijn wel in de delictsomschrijving opgenomen. Een element is daar tot
bestanddeel verworden.
Voorbeelden: art. 310 Sr, art. 282 Sr en art. 307 Sr.
Rechtvaardigingsgronden (nemen de wederrechtelijk weg)
Bij niet-ideaaltypische delictsomschrijvingen (wederrechtelijkheid is een bestanddeel) komen
rechtvaardigingsgronden – die de wederrechtelijkheid opheffen – al bij de eerste materiële
vraag van art. 350 Sv aan bod: de wederrechtelijkheid moet, nu hij ten laste is gelegd,
immers worden bewezen. Het ontbreken van wederrechtelijkheid wegens een
rechtvaardigingsgrond leidt, bij een niet-ideaaltypische delictsomschrijving, dan ook tot
vrijspraak.
Schulduitsluitingsgronden (nemen de verwijtbaarheid weg)
Bij niet-ideaaltypische delictsomschrijvingen (verwijtbaarheid is een bestanddeel) komen
schulduitsluitingsgronden – die de verwijtbaarheid wegnemen – al bij de eerste materiële
vraag van art. 350 Sv aan bod: verwijtbaarheid moet, nu hij ten laste is gelegd, immers
bewezen worden. Het ontbreken van verwijtbaarheid wegens een schulduitsluitingsgrond,
leidt, bij een niet-ideaaltypische delictsomschrijving, dan ook tot vrijspraak.
,
, Week 1 - Het legaliteitsbeginsel, overgangsrecht en rechtsmacht
Literatuur
De Hullu, Materieel Strafrecht, Hst. II, par. 2 en 3
De Hullu, Materieel Strafrecht, Hst. II, par. 5.1 t/m 5.1.3
De Hullu, Materieel Strafrecht, Hst. II, par. 6
Jurisprudentie
1. Legaliteitsbeginsel in Straatsburgs perspectief, EHRM 22 nov. 1995, NJ 1997, 1
2. Incest, HR 11 oktober 1988, NJ 1989, 455
3. Gewijzigde Warenwetregeling, HR 20 februari 1996,
ECLI:NL:HR:1996:AD2491, NJ 1996, 503, m.nt. G. Knigge
4. Linquenda, HR 17 maart 1987, NJ 1987, 887
5. Lex Mitior, HR 12 juli 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP6878
Leerdoelen
Na afloop van dit eerste college kunt u:
de volgende materieelrechtelijke onderwerpen grondig beschrijven en
uitleggen: (1) het legaliteitsbeginsel, (2) het verbod van terugwerkende kracht
en de uitzonderlingen daarop van art. 1 lid 2 Sr en (3) de nationale jurisdictie;
(1) het legaliteitsbeginsel
Art. 1 lid 1 Sr bepaalt het volgende: ‘Geen feit is strafbaar dan uit kracht van een daaraan
voorafgegane wettelijke strafbepaling’. Het materiële legaliteitsbeginsel valt uit in de
volgende vier deelnormen:
- Het lex scripta-gebod
- Het lex certa-gebod (dient de kenbaarheid van het recht en daarmee
rechtszekerheid)
- Het lex stricta-gebod
- Het verbod van terugwerkende kracht
(2) het verbod van terugwerkende kracht en de uitzonderingen daarop
Een van de gevolgen van het legaliteitsbeginsel is het verbod van terugwerkende kracht. Het
verbod van terugwerkende kracht betreft zowel de strafbaarheid als de straf. Hoofdregel:
verbod op terugwerkende kracht.
Uitzondering: veranderingen van wetgeving die ten gunste van de verdachte werken, kunnen
wel met terugwerkende kracht worden ingevoerd op grond van art. 1 lid 2 Sr (het Lex mitior-
beginsel). De vraag die hierbij gesteld kan worden betreft wanneer er sprake is van
verandering van wetgeving?
- Situatie 1: wijzigingen die verband houden met delictsomschrijving
1) er is sprake van wetgeving
Er is pas sprake van wetgeving als het algemeen verbindend is voor alle burgers (dus niet
alleen voor de leden van een voetbalclub bijvoorbeeld). Hierbij geldt ook wetgeving uit
andere rechtsgebieden.
2) er is sprake van een veranderd inzicht omtrent de strafwaardigheid van de
onderwerpelijke gedraging (HR Gewijzigde Warenwetregeling en HR Lex Mitior)
Een wijziging in een regeling die uit haar aard tijdelijk is, of een technische wijziging, is geen
relevante wijziging
3) is de verandering gunstiger voor de verdachte?
Kijken naar de delictsomschrijving (vaak als de delictsomschrijving ruimer wordt, is het
minder gunstig voor de verdachte)
Indien voldaan is aan 1), 2) en 3) dan is de nieuwe wet van toepassing (en daarmee een
uitzondering op het verbod van terugwerkende kracht)