Basisgroep 3
MSO
Depressieve patiënten kunnen ook psychotische klachten krijgen. Wanen met depressieve
ondertoon.
Expressed emotion (EE): affectieve attitude van naasten tegenover patient.
Kritiek, vijandigheid of emotionele overbetrokkenheid.
Laag EE is negatief (kritisch), hoog EE is juist overbezorgd en beschermend.
Stress-kwetsbaarheden model van depressie
Evenwicht tussen kwetsbaarheden, beschermende factoren en ervaringen. Disbalansen
hiervan kunnen zorgen voor psychische aandoeningen.
Psychische klachten en functies variëren op basis van dagelijkse ervaringen.
, Diagnostiek
Ontwikkeling stemmingsstoornissen
Stress diathese hypothese: Niet alleen genetisch, ook omgevingsfactoren. Hoe je omgaat
met omgevingsstressoren is afhankelijk van je normale genoom of risicogenoom.
Klinische kenmerken depressief syndroom
Langer dan 2 weken last hebben van minstens 3 of 4
onderstaande symptomen;
o Eetproblemenen veranderingen in gewicht
o Slaapproblemen
o Geagiteerd en rusteloos of juist ontremd
o Vermoeidheid en verlies van energie
o Gevoelend van waardeloosheid of overmatige schuld
o Concentratieproblemen, vertraagd denken of besluiteloosheid
o Terugkerende gedachten aan dood of zelfdoding
Van onderstaande kernsymptomen moet er minstens 1 aanwezig zijn;
o Somberheid
o Anhedonie
Bij een unipolaire stemmingsstoornis komen alleen depressieve episoden voor, waarbij een
stoornis in de affectieve symptomen centraal staat.
Een dysthyme stoornis is een lichte vorm van depressie gedurende minstens 2 jaar. Hierbij
worden depressieve episoden afgewisseld met episoden waarin de patiënt zich oké voelt
(géén manie!), echter nogsteeds met een licht sombere stemming.
Predisponerende factoren
Genetisch, instabiele jeugd, neuroticisme (emotionele instabiliteit, fysiologische
hyperreactiviteit, interpersoonlijke sensitiviteit), vrouwelijk geslacht, leeftijd 15-35 jaar.
Biochemie: Verstoring noradrenerge, serotonerge, dopaminerge systeem, PFC of HPA-as.
Kindling fenomeen: Wanneer er al eerder een depressieve episode is doorgemaakt, is er
minder voor nodig om een nieuwe episode uit te lokken.
Luxerende factoren
Wegvallen van sociale steun, slecht eigenwaarde, stressvolle gebeurtenissen.
Onderhoudende factoren
Terugtrekking en vermijding.
Differentiaaldiagnose
Somatische ziektes uitsluiten!
Angststoornissen, schizofrenie, dementie, persoonlijkheidsstoornissen, intoxicatie van
middelen.
MSO
Depressieve patiënten kunnen ook psychotische klachten krijgen. Wanen met depressieve
ondertoon.
Expressed emotion (EE): affectieve attitude van naasten tegenover patient.
Kritiek, vijandigheid of emotionele overbetrokkenheid.
Laag EE is negatief (kritisch), hoog EE is juist overbezorgd en beschermend.
Stress-kwetsbaarheden model van depressie
Evenwicht tussen kwetsbaarheden, beschermende factoren en ervaringen. Disbalansen
hiervan kunnen zorgen voor psychische aandoeningen.
Psychische klachten en functies variëren op basis van dagelijkse ervaringen.
, Diagnostiek
Ontwikkeling stemmingsstoornissen
Stress diathese hypothese: Niet alleen genetisch, ook omgevingsfactoren. Hoe je omgaat
met omgevingsstressoren is afhankelijk van je normale genoom of risicogenoom.
Klinische kenmerken depressief syndroom
Langer dan 2 weken last hebben van minstens 3 of 4
onderstaande symptomen;
o Eetproblemenen veranderingen in gewicht
o Slaapproblemen
o Geagiteerd en rusteloos of juist ontremd
o Vermoeidheid en verlies van energie
o Gevoelend van waardeloosheid of overmatige schuld
o Concentratieproblemen, vertraagd denken of besluiteloosheid
o Terugkerende gedachten aan dood of zelfdoding
Van onderstaande kernsymptomen moet er minstens 1 aanwezig zijn;
o Somberheid
o Anhedonie
Bij een unipolaire stemmingsstoornis komen alleen depressieve episoden voor, waarbij een
stoornis in de affectieve symptomen centraal staat.
Een dysthyme stoornis is een lichte vorm van depressie gedurende minstens 2 jaar. Hierbij
worden depressieve episoden afgewisseld met episoden waarin de patiënt zich oké voelt
(géén manie!), echter nogsteeds met een licht sombere stemming.
Predisponerende factoren
Genetisch, instabiele jeugd, neuroticisme (emotionele instabiliteit, fysiologische
hyperreactiviteit, interpersoonlijke sensitiviteit), vrouwelijk geslacht, leeftijd 15-35 jaar.
Biochemie: Verstoring noradrenerge, serotonerge, dopaminerge systeem, PFC of HPA-as.
Kindling fenomeen: Wanneer er al eerder een depressieve episode is doorgemaakt, is er
minder voor nodig om een nieuwe episode uit te lokken.
Luxerende factoren
Wegvallen van sociale steun, slecht eigenwaarde, stressvolle gebeurtenissen.
Onderhoudende factoren
Terugtrekking en vermijding.
Differentiaaldiagnose
Somatische ziektes uitsluiten!
Angststoornissen, schizofrenie, dementie, persoonlijkheidsstoornissen, intoxicatie van
middelen.