h17 stedelijke ecosystemen
17.1 het ecosysteem stad
● Verschil tussen symbiose, mutualisme, commensalisme, parasitisme, concurrentie en predator-prooirelatie.
Mutualisme (+/+), commensalisme (+/0), parasitisme (+/-), concurrentie (twee soorten strijden om hetzelfde
voedsel), predator-prooi (predator eet het prooi)
● Wat is het verschil tussen autotroof en heterotroof?
autotrofe organismen maken met behulp van licht/chemische energie organische stoffen uit anorganische
stoffen. heterotrofe organismen eten organische stoffen als voedsel
● Wat is chemo-synthese?
Anorganische stoffen omzetten in organische stoffen met behulp van chemische energie (in plaats van
bijvoorbeeld licht)
● Wat is het verschil tussen abiotische en biotische factoren?
Biotische factoren > levende organismen en/of hun producten. Abiotische factoren > alles wat niet leeft
(zonlicht, water etc.)
● Je kan een energiestroom schema aflezen en verschillen herkennen tussen planten, herbivoren en carnivoren,
jonge en oude dieren (ook in 18.1).
17.2 de stad selecteert
● Wat is adaptatie en hoe beantwoord je vragen daarover ?
Een verandering in bouw of gedrag van een soort, waardoor deze beter aangepast is aan de heersende
milieufactoren. Antwoord:
○ Er is variatie in de soort (of een mutatie).
○ Eén variatie is voordeliger dan de andere.
○ Organismen met deze variatie hebben een bepaald voordeel.
○ Deze organismen planten zich meer voort. ! De soort past zich aan, niet het individu.
● Wat is fitness?
Het vermogen om bepaalde allelen door te geven aan de volgende generatie
● Wat is het belang van genetische variatie en hoe kan je dat toepassen op het flessenhalseffect (genetic drift)
en het foundereffect?
Weinig genetische variaties leidt tot veel verspreiding van ziektes, en weinig mogelijkheden tot evolutie.
flessenhals: founder:
● Hoe lees je een grafiek over de eilandtheorie af?
17.3 voedsel
● Hoe kan voedselproductie duurzamer?
Voedsel van lokale plekken eten (niet importeren, want daarvoor wordt veel CO2 uitgestoten)
17.1 het ecosysteem stad
● Verschil tussen symbiose, mutualisme, commensalisme, parasitisme, concurrentie en predator-prooirelatie.
Mutualisme (+/+), commensalisme (+/0), parasitisme (+/-), concurrentie (twee soorten strijden om hetzelfde
voedsel), predator-prooi (predator eet het prooi)
● Wat is het verschil tussen autotroof en heterotroof?
autotrofe organismen maken met behulp van licht/chemische energie organische stoffen uit anorganische
stoffen. heterotrofe organismen eten organische stoffen als voedsel
● Wat is chemo-synthese?
Anorganische stoffen omzetten in organische stoffen met behulp van chemische energie (in plaats van
bijvoorbeeld licht)
● Wat is het verschil tussen abiotische en biotische factoren?
Biotische factoren > levende organismen en/of hun producten. Abiotische factoren > alles wat niet leeft
(zonlicht, water etc.)
● Je kan een energiestroom schema aflezen en verschillen herkennen tussen planten, herbivoren en carnivoren,
jonge en oude dieren (ook in 18.1).
17.2 de stad selecteert
● Wat is adaptatie en hoe beantwoord je vragen daarover ?
Een verandering in bouw of gedrag van een soort, waardoor deze beter aangepast is aan de heersende
milieufactoren. Antwoord:
○ Er is variatie in de soort (of een mutatie).
○ Eén variatie is voordeliger dan de andere.
○ Organismen met deze variatie hebben een bepaald voordeel.
○ Deze organismen planten zich meer voort. ! De soort past zich aan, niet het individu.
● Wat is fitness?
Het vermogen om bepaalde allelen door te geven aan de volgende generatie
● Wat is het belang van genetische variatie en hoe kan je dat toepassen op het flessenhalseffect (genetic drift)
en het foundereffect?
Weinig genetische variaties leidt tot veel verspreiding van ziektes, en weinig mogelijkheden tot evolutie.
flessenhals: founder:
● Hoe lees je een grafiek over de eilandtheorie af?
17.3 voedsel
● Hoe kan voedselproductie duurzamer?
Voedsel van lokale plekken eten (niet importeren, want daarvoor wordt veel CO2 uitgestoten)