Belastingrecht – Aantekeningen
Inhoudsopgave
Week 1: Fiscale theorie.................................................................................................................................. 2
Week 2: Box 1 inkomen uit werk en woning 49,5%.........................................................................................6
Week 3: Box 3 inkomen uit sparen en beleggen en eigen woning, 32%..........................................................10
Week 4: Box 2 en Vpb.................................................................................................................................. 13
Week 5: Internationale aspecten.................................................................................................................. 16
Week 6: Formeel belastingrecht................................................................................................................... 18
,Week 1: Fiscale theorie
- Belastingbegrip:
o Juridisch: elke heffing die de wetgever aanmerkt als belasting.
o Klassiek: gedwongen betalingen, anders dan bij wijze van straf, aan de
overheid op grond van algemeen geldende regels, waartegenover geen
individuele tegenprestatie staat.
o Heffingen: verplichte betalingen aan overheid op grond van algemene
regels.
Belastingen: heffing staat niet tegenover individuele
tegenprestatie.
Algemene belastingen: opbrengsten zijn vrij
besteedbaar, niet gebaseerd op onderliggende kosten.
Bestemmingsheffingen: opbrengsten zijn geoormerkt
voor specifieke overheidstaak, vaak gebaseerd op
onderliggende kosten in combinatie met het
profijtbeginsel.
Retributies: heffing staat tegenover individuele tegenprestatie,
gebaseerd op onderliggende kosten.
- Fiscale legaliteitsbeginsel:
o Art. 104 GW.
o Lat wordt staatsrechtelijk zo hoog gelegd, omdat belastingen een
inbreuk maken op eigendomsrecht en zorgt voor rechtszekerheid.
o Moet aan 4 voorwaarden voldoen:
Moet staan in een wet in formele zin.
Geen delegatie.
Gericht aan minister van financiën.
Democratische legitimatie.
- Essentialia van een belasting:
o Subject:
Degene van wie de belasting wordt geheven.
Ligt vaak voor de hand, natuurlijke persoon, art. 1.1 Wet IB
2001.
Of het subject ook de belasting is verschuldigd, hangt af van de
heffingsmethode.
Of de belasting op het subject drukt, hangt af van prijsvorming.
o Object:
Grootheid in € waarover belasting wordt geheven.
Object heeft betrekking op één van de drie globale grondslagen
van de belastingmix.
Arbeid.
Kapitaal.
Consumptie.
o Tarief:
Bepaalt in combinatie met object in beginsel de verschuldigde
belasting.
Object x tarief = verschuldigde belasting.
Maar soms nog correcties, tax credits.
Let op: wettelijk tarief is geen belastingdruk.
, o Heffingsmethode:
Zie week 6.
Wanneer bestaat de betalingsverplichting en wie moet betalen?
Aanslagbelasting.
Aangiftebelasting, je moet zelf aangeven wat je verdient en
hoeveel je moet betalen.
- Plaats van het belastingrecht als rechtsgebied:
o Valt onder publiekrecht.
o Materieel vs. formeel belastingrecht:
Afbakening is niet heel scherp.
Materieel belastingrecht:
Alle regels over de omvang van de belastingschuld
subject, object en tarief.
Formeel belastingrecht:
Alle regels over de wijze waarop de belastingschuld wordt
vastgesteld en ingevorderd heffingsmethode,
procesrecht.
o Directe vs. indirecte belastingen:
Direct:
Loon- en inkomstenbelasting.
Dividendbelasting.
Kansspelbelasting.
Vennootschapbelasting.
Schenk- en erfbelasting.
Indirect:
Invoerrechten.
Omzetbelasting (btw).
Belastingen op personenauto’s en motorrijtuigen.
Accijnzen.
Overdrachtsbelasting.
Belastingen op een milieugrondslag.
Verbruiksbelasting van alcoholvrije dragen.
Belasting op zware motorrijtuigen.
Verhuurderheffing.
Bankbelasting.
- Functies van belastingheffing:
o Budgettaire functie:
Verdeling budgettaire last o.a. op basis van fiscale
verdelingsbeginselen (rechtvaardigheidsbeginselen).
Belastingen zijn nodig om overheidsuitgaven te financieren,
waaronder collectieve goederen.
Collectieve goederen:
Non-exclusief.
Non-rivaal.
Vanwege martkfalen produceert de overheid collectieve
goederen die worden gefinancierd door belastingen.
o Herverdelingsfunctie:
Eén element van sociale ongelijkheid is distributieve
ongelijkheid.
Inhoudsopgave
Week 1: Fiscale theorie.................................................................................................................................. 2
Week 2: Box 1 inkomen uit werk en woning 49,5%.........................................................................................6
Week 3: Box 3 inkomen uit sparen en beleggen en eigen woning, 32%..........................................................10
Week 4: Box 2 en Vpb.................................................................................................................................. 13
Week 5: Internationale aspecten.................................................................................................................. 16
Week 6: Formeel belastingrecht................................................................................................................... 18
,Week 1: Fiscale theorie
- Belastingbegrip:
o Juridisch: elke heffing die de wetgever aanmerkt als belasting.
o Klassiek: gedwongen betalingen, anders dan bij wijze van straf, aan de
overheid op grond van algemeen geldende regels, waartegenover geen
individuele tegenprestatie staat.
o Heffingen: verplichte betalingen aan overheid op grond van algemene
regels.
Belastingen: heffing staat niet tegenover individuele
tegenprestatie.
Algemene belastingen: opbrengsten zijn vrij
besteedbaar, niet gebaseerd op onderliggende kosten.
Bestemmingsheffingen: opbrengsten zijn geoormerkt
voor specifieke overheidstaak, vaak gebaseerd op
onderliggende kosten in combinatie met het
profijtbeginsel.
Retributies: heffing staat tegenover individuele tegenprestatie,
gebaseerd op onderliggende kosten.
- Fiscale legaliteitsbeginsel:
o Art. 104 GW.
o Lat wordt staatsrechtelijk zo hoog gelegd, omdat belastingen een
inbreuk maken op eigendomsrecht en zorgt voor rechtszekerheid.
o Moet aan 4 voorwaarden voldoen:
Moet staan in een wet in formele zin.
Geen delegatie.
Gericht aan minister van financiën.
Democratische legitimatie.
- Essentialia van een belasting:
o Subject:
Degene van wie de belasting wordt geheven.
Ligt vaak voor de hand, natuurlijke persoon, art. 1.1 Wet IB
2001.
Of het subject ook de belasting is verschuldigd, hangt af van de
heffingsmethode.
Of de belasting op het subject drukt, hangt af van prijsvorming.
o Object:
Grootheid in € waarover belasting wordt geheven.
Object heeft betrekking op één van de drie globale grondslagen
van de belastingmix.
Arbeid.
Kapitaal.
Consumptie.
o Tarief:
Bepaalt in combinatie met object in beginsel de verschuldigde
belasting.
Object x tarief = verschuldigde belasting.
Maar soms nog correcties, tax credits.
Let op: wettelijk tarief is geen belastingdruk.
, o Heffingsmethode:
Zie week 6.
Wanneer bestaat de betalingsverplichting en wie moet betalen?
Aanslagbelasting.
Aangiftebelasting, je moet zelf aangeven wat je verdient en
hoeveel je moet betalen.
- Plaats van het belastingrecht als rechtsgebied:
o Valt onder publiekrecht.
o Materieel vs. formeel belastingrecht:
Afbakening is niet heel scherp.
Materieel belastingrecht:
Alle regels over de omvang van de belastingschuld
subject, object en tarief.
Formeel belastingrecht:
Alle regels over de wijze waarop de belastingschuld wordt
vastgesteld en ingevorderd heffingsmethode,
procesrecht.
o Directe vs. indirecte belastingen:
Direct:
Loon- en inkomstenbelasting.
Dividendbelasting.
Kansspelbelasting.
Vennootschapbelasting.
Schenk- en erfbelasting.
Indirect:
Invoerrechten.
Omzetbelasting (btw).
Belastingen op personenauto’s en motorrijtuigen.
Accijnzen.
Overdrachtsbelasting.
Belastingen op een milieugrondslag.
Verbruiksbelasting van alcoholvrije dragen.
Belasting op zware motorrijtuigen.
Verhuurderheffing.
Bankbelasting.
- Functies van belastingheffing:
o Budgettaire functie:
Verdeling budgettaire last o.a. op basis van fiscale
verdelingsbeginselen (rechtvaardigheidsbeginselen).
Belastingen zijn nodig om overheidsuitgaven te financieren,
waaronder collectieve goederen.
Collectieve goederen:
Non-exclusief.
Non-rivaal.
Vanwege martkfalen produceert de overheid collectieve
goederen die worden gefinancierd door belastingen.
o Herverdelingsfunctie:
Eén element van sociale ongelijkheid is distributieve
ongelijkheid.