1.1 Betrouwbaarheidsinterval berekenen
1) Vertrekken vanuit een geobserveerde score (X)
• X = T + E à SD(X) = SD(T) + SD(E)
2) Standaardmeetfout berekenen (= gegeven op examen)
• Variantie van formule geobserveerde score
• Betrouwbaarheid
• Standaardmeetfout
3) Betrouwbaarheidsintervallen 90/95/99% gebruiken met bijhorende z-scores
• 90% = 1,65
• 95% = 1,96
• 99% = 2,58
4) Boven- en ondergrens berekenen
à Met hoeveel % zekerheid kan je zeggen dat de waarde (Ti) tussen 2 waarden
(interval met boven- en ondergrens) zal liggen?
Formules boven- en ondergrens bij de verschillende betrouwbaarheidsintervallen:
1) 90%
• Ondergrens à geobserveerde score X – (1,65 * S(E))
• Bovengrens à geobserveerde score X + (1,65 * S(E))
2) 95%
• Ondergrens à geobserveerde score X – (1,96 * S(E))
• Bovengrens à geobserveerde score X + (1,96 * S(E))
3) 99%
• Ondergrens à geobserveerde score X – (2,58 * S(E))
• Bovengrens à geobserveerde score X + (2,58 * S(E))
à Meestal voor 95% gekozen want middenweg zekerheid en informativiteit.
à Hoe breder interval, hoe zekerder T binnen het interval valt, maar hoe minder
betrouwbaar de test is.
à Hoe zekerder we willen zijn dat T binnen interval ligt, hoe breder we deze moeten
nemen, maar hoe minder betrouwbaar onze test zal zijn.
à Hoe nauwkeuriger de test, hoe kleiner de meetfout en hoe smaller de range/bereik
à Als standaardmeetfout groter wordt, krijgen we een breder interval en is de test
minder betrouwbaar.
Breedte van het interval met 2 zaken te maken:
1) Mate van zekerheid dat T ertussen ligt
à Hoe zekerder we willen zijn, hoe breder interval nemen à minder betrouwbaar.
2) Te maken met standaardfout
à Hoe kleiner de fout, hoe betrouwbaarder de test, hoe smaller het interval want
accurater bepalen tussen 2 waarden Ti ligt.