Astrofysica | vwo
Uitwerkingen basisboek
13.1 INTRODUCTIE
1 [W] Sterspectra
2 [W] Elektromagnetische straling
13.2 OPPERVLAKTETEMPERATUUR VAN STERREN
3 [W] Experiment: Spectra
4 [W] Computersimulatie: Straling en temperatuur
5 Waar of niet waar?
a Niet waar: De helft van de straling van de zon bestaat uit zichtbaar licht.
b Waar
c Waar
d Waar en niet waar: Het spectrum van deze ster zou toch nog deels in het zichtbare
gebied kunnen liggen.
e Waar
f Niet waar: Koudere objecten dan de zon zenden vooral infraroodstraling en
radiogolven uit.
g Waar
6
a De rode ster is kouder dan de blauwe ster, dus Rigel heeft de hoogste
oppervlaktetemperatuur.
b Blauw zit meer naar links in het spectrum van figuur 5 en rood meer naar rechts. Dat
betekent dat de oppervlaktetemperatuur van Rigel hoger is en van Betelgeuze lager
dan van de zon.
7
a Bij een lange golflengte
b Koude objecten, die zenden fotonen met minder energie uit.
c Radiogolven komen door de dampkring heen, infraroodstraling nauwelijks en
röntgenstraling niet.
8
a In de ruimte heb je geen last van de atmosfeer (en van wolken), die veel soorten
straling absorbeert.
b Dat kan ook vanaf de aarde, een satelliet is veel duurder.
c Dat kan ook vanaf de aarde.
9
a Bij een rodere kleur hoort een lagere temperatuur, dus de jonge sterren hebben een
lagere temperatuur dan de zon.
© ThiemeMeulenhoff bv CONCEPT Pagina 1 van 21