Elegast
Karel slaapt terwijl er een engel binnenkomt
Heilige engel: Ontwaak heer, tijd om op te staan. Trek uw kleren aan. En trek erop uit om te
gaan stelen. God beveelt dit u. De Hemelheer zegt dat het moet, Zo niet, verliest u lijf en
goed.
Karel: Waar komen deze woorden vandaan? Ik heb dit vast gedroomd.
Karel probeert weer verder te slapen.
Heilige engel: Sta op, Karel, en ga stelen. God beveelt het u. Anders kost het u de kop.
Karel: Wat is hier voor raars aan de gang. Is dit een geest. Die deze gekke dingen vertelt?
Nogmaals valt Karel weer licht in slaap.
Heilige engel: Koning wees toch wijs en ga stelen, word een dief. Dat is wat God wil.
De heilige engel verlaat de kamer van Karel.
Karel: Het is stelen of tegen God ingaan.
Karel trekt zijn kostbare kleren aan en pakt zijn wapens.
Karel sluipt naar de stal en knoopt daar zijn paard los.
Karel gaat op weg met zijn paard.
In de verte komt een zwart gedaante aan. Het is de Elegast.
Karel: Wie is die man en waar komt hij vandaan? Het lijkt wel een boodschap van de duivel.
Karel en de Elegast passeren elkaar, kijken elkaar aan, maar spreken niet.
Elegast: Waarom rijd deze man hier rond en zegt hij niks?
De Elegast draait om en gaat achter Karel aan.
Elegast: Wacht eens even! Ik wil weten waar u heen gaat. Wat wilt en zoekt u zo laat?
Karel: U vraagt wel erg veel aan mij. Dat is niet zo een-twee-drie gezegd. Ik ga liever een
gevecht aan.
Karel en de Elegast gaan op een open plek flink op elkaar los.
Karel slaat het zwaard van de Elegast weg, maar hij dood de Elegast niet.
Elegast: U heeft mij niet gedood? Hoe kan ik u ooit bedanken?
Karel: Ik wil dat u mij vertelt hoe u heet, dan maak ik een eind aan dit gevecht.