1.5
Tegenwoordige en verleden tijd van werkwoorden:
Leestekens 1
Leestekens geven een signaal aan de lezer. Een tekst met leestekens maakt het lezen makkelijker.
Leestekens:
- De punt
- Het vraagteken
- Het uitroepteken
- De komma
- De aanhalingstekens
- De dubbele punt
- De puntkomma
Na een dubbele punt volgt een opsomming, uitleg/voorbeeld of een citaat.
Opsomming:
De training begint altijd zo: inlopen, rekken en wat sprintjes
Uitleg/voorbeeld:
Je kunt kiezen: je doet mee of je krijgt ruzie.
Citaat:
De woordvoerder van de gemeente zei: ‘Groen hangen is de toekomst!’
Na de puntkomma volgt een zin die een belangrijke band heeft met het deel vóór de puntkomma.
We vertrekken morgen naar Italië; de koffers zijn al gepakt.
, Puntkomma’s kom je ook tegen in opsommingen waar al komma’s in staan:
Nog doen: huiswerk; broek ophalen, wassen en strijken; band plakken.
Na een dubbele punt of puntkomma volgt altijd een kleine letter, behalve als er daarna een naam
genoemd wordt.
De puntkomma is niet eenvoudig, bij voorkeur niet gebruiken.
2.5
Gebiedende wijs