1.Wat is geen kenmerk van een moreel oordeel?
a. Een moreel oordeel is normatief
b. Een moreel oordeel is veralgemeniseerbaar
c. Een moreel oordeel is gericht op het goede
d. Een moreel oordeel is objectief
2. In de plichtethiek wordt uitgegaan
van a. Normen
b. Waarden
c. Deugden
d. Geen van de drie
3. Algemene rechten zijn
a. Rechten die berusten op de instemming van een grote meerderheid.
b. Rechten die gebaseerd zijn op een verzameling van morele uitgangspunten.
c. Rechten die niet toegewezen zijn aan aanwijsbare personen.
4. Wat houdt paternalisme in?
a. verboden gedrag dat schade aan de omgeving brengt.
b. Persoonlijke vrijheid mag beperkt worden als daarmee schade of letsel
aan anderen voorkomen wordt.
c. Algemeen erkende morele rechten gaan boven ideële morele rechten.
d. Mensen moeten tegen zichzelf beschermd worden en de
wetgever moet daarom ‘om hun bestwil’ bepaald gedrag verbieden.