Leerdoelen Voeding Blok 2
Week 1 Koolhydraten
1.1 Je benoemt de soorten koolhydraten in onze voeding.
1.2 Je legt uit wat de achtergrond is van de aanbeveling over koolhydraten.
1.3 Je definieert de glycemische index en glycemische belasting en onderbouwt de voor- en
nadelen van het toepassen van deze concepten.
1.4 Je benoemt de gezondheidseffecten die de verschillende soorten koolhydraten hebben.
1.5 Je legt uit wat de VCP is en hoe de voedingsinname in Nederland gemeten wordt.
Week 2 Vetten
2.1 Je benoemt de verschillende soorten vetten in onze voeding.
2.2 Je legt uit wat de achtergrond is van de aanbeveling voor verschillende vetten en vetzuren.
2.3 Je licht toe waar de discussie over ‘wel of geen negatieve gezondheidseffecten van verzadigd
vet’ op gebaseerd is.
Week 3 Eiwitten
3.1 Je beschrijft hoe eiwitten zijn opgebouwd en welke groepen aminozuren je kunt onderscheiden
(essentieel, semi-essentieel, niet-essentieel).
3.2 Je legt uit wat eiwitkwaliteit betekent, en legt uit welke methoden er zijn om die in kaart te
brengen.
3.3 Je legt uit wat de achtergrond is van de aanbeveling voor eiwitten voor niet-vegetariërs,
vegetariërs en veganisten.
Week 4 Alcohol
4.1 Je legt uit hoe alcohol in het lichaam wordt afgebroken en welke factoren van invloed zijn op de
snelheid van afbraak.
4.2 Je benoemt de positieve en negatieve effecten van alcohol in het lichaam en legt uit waardoor
deze ontstaan.
4.3 Je benoemt de aanbevelingen m.b.t. alcohol volgens de Gezondheidsraad en legt uit wat hier
de onderbouwing voor is.
Week 5 Zout 12-12-2017
5.1 Je legt uit wat de achtergrond van de richtlijn voor de hoeveelheid zout in voeding is.
5.2 Je legt uit welke producten grote leverancier zijn van zout in het Nederlands
consumptiepatroon en welke initiatieven er zijn om het zoutgehalte omlaag te brengen.
5.3 Je benoemt de functies die zout (Natrium, Kalium en Chloride) in het lichaam hebben.
Week 6 Vezels 19-12-2017
6.1 Je legt uit wat vezels zijn en benoemt de verschillende typen vezels.
6.2 Je legt uit wat hun functie in het lichaam is en welke gezondheidseffecten ze in het lichaam
kunnen hebben.
6.3 Je legt uit wat de achtergrond is van de richtlijn voor vezels.
Week 1 Koolhydraten
,1.1 Je benoemt de soorten koolhydraten in onze voeding.
1.2 Je legt uit wat de achtergrond is van de aanbeveling over koolhydraten.
1.3 Je definieert de glycemische index en glycemische belasting en onderbouwt de voor- en
nadelen van het toepassen van deze concepten.
1.4 Je benoemt de gezondheidseffecten die de verschillende soorten koolhydraten hebben.
1.5 Je legt uit wat de VCP is en hoe de voedingsinname in Nederland gemeten wordt.
1.1 Je benoemt de soorten koolhydraten in onze voeding.
Welke verschillende soorten koolhydraten komen er voor in onze voeding?
Monosacchariden: glucose, fructose, galactose
Disacchariden: maltose (2x glucose), sacharose (glucose en fructose), lactose (glucose en
galactose).
Oligosacchariden —> 3 - 9 eenheden : Maltodextrine (en vezels)
Polysacchariden —> 10+ : Glycogeen en zetmeel (en vezels)
Wat is ‘toegevoegd suiker’?
Toegevoegd suiker. Onder toegevoegde suikers worden alle mono- en disacchariden verstaan met
een calorische waarde van >3,5 kcal en uit andere bronnen dan groente, fruit en zuivelproducten.
Ook producten die volledig uit suikers bestaan, die niet afkomstig zijn van fruit, groenten of zuivel
vallen onder toegevoegde suikers. Hieronder vallen suiker, (vruchten)siroop, honing en gekonfijte
vruchten, etc. en alle polyolen.
Hoe worden glucose, galactose en fructose opgenomen?
Glucose en galactose worden opgenomen via actief transport.
Fructose wordt opgenomen via gefaciliteerde diffusie.
1.2 Je legt uit wat de achtergrond is van de aanbeveling over koolhydraten.
Wat is de aanbevolen hoeveelheid koolhydraten en waarom heb je het nodig?
Koolhydraten moet 40en% zijn van de voeding. Glucose levert energie voor de hersenen en
andere zenuwcellen. Glucose is nodig voor de ontwikkeling van rode bloedcellen.
Wat is gluconeogenese?
Gluconeogenese is de vorming van glucose uit eiwitten, glycerol en lactaat.
Waarom heeft het lichaam koolhydraten nodig?
Een zekere hoeveelheid koolhydraten in de voeding is nodig om afbraak van weefseleiwit te
voorkomen. Als de voeding geen koolhydraten bevat en de glycogeenvoorraad is uitgeput, is de
eiwitafbraak het hoogst (-> endogene glucoseproductie). Je moet +- 200 gram per dag
consumeren. De aanbevolen hoeveelheid is +- 40 gram per kg lichaamsgewicht.
Bij welke inname is de afbraak van weefseleiwitten minimaal voor 97,5% van de
Nederlandse bevolking?
Bij een inname van 1,4x van de gemiddelde endogene glucoseproductie is de afbraak van
weefseleiwitten minimaal voor 97,5% van de Nederlandse bevolking.
Gewicht x gemiddelde endogene glucoseproductie = … x 1,4 = aantal gram.
1.3 Je definieert de glycemische index en glycemische belasting en onderbouwt de voor- en
nadelen van het toepassen van deze concepten.
, Wat is de glycemische index?
De glycemische index is een maat voor de snelheid waarmee glucose uit koolhydraten in het bloed
beschikbaar komt. Wanneer je een lage GI hebt is er sprake van een tragere, geleidelijke stijging
van de glucose concentratie. Producten met een hoge GI worden vaak ‘minder goed’ genoemd. De
hogere postprandiale glucosepiek die dan ontstaat, zou het lichaam belasten waardoor er een
hogere afgeeft van insuline ontstaat. Een chronisch verhoogde insulinebehoefte kan resulteren in
uitputting van B-cellen van de alvleesklier, waardoor glucose-intolerantie (insulineresistentie)
ontstaat. Een lage GI = <55 en een hoge GI = >70
Wat kan invloed hebben op de GI?
Het type koolhydraten dat geconsumeerd wordt, de bewerking of bereiding van het
voedingsmiddel, de samenstelling en fysieke eigenschappen.
Hoe bereken je de Glycemische belasting?
Glycemische belasting = (GI/100) x verteerbare koolhydraten per portie
(Geeft een meer reëel beeld omdat er rekening gehouden wordt met de hoeveelheid koolhydraten
in een portie). Een lage GL = <10 en een hoge GL = >20.
1.4 Je benoemt de gezondheidseffecten die de verschillende soorten koolhydraten hebben.
Wat zijn vrije suikers?
Mono- en disacchariden die worden toegevoegd aan voedingsmiddelen tijdens de productie en
bereiding + de suikers die van nature aanwezig zijn in honing, siropen en vruchtensappen.
Welke effecten hebben suikerhoudende dranken op de gezondheid?
Het risico op diabetes wordt verhoogd, en kans op toename van lichaamsgewicht. Energie
geleverd door de suikers uit dranken, dragen minder bij aan verzadiging dan energie van suikers in
vaste voedingsmiddelen (je krijgt meer suikers binnen).
1.5 Je legt uit wat de VCP is en hoe de voedingsinname in Nederland gemeten wordt.
Wat is het VCP?
Het VCP is een representatieve steekproef van 3800 mensen ingedeeld op leeftijd, geslacht, regio,
mate van verstedelijking en het opleidingsniveau.
Hoe wordt de voedingsinname gemeten?
Het onderzoek bestaat uit 2x een 24-uurs recall over 3 jaar. Er zitten ongeveer 4 weken tussen de
2 recalls en alle dagen van de week worden zoveel mogelijk vertegenwoordigd. De afnemers
nemen vragen af bij de geïnterviewde zoals het tijdstip van de consumptie, de plaats,
bereidingswijze, vetgehalte en supplementgebruik. Tot 15 jaar en boven de 70 jaar wordt het
interview thuis of telefonisch afgenomen.
Hoe worden de innames berekend?
De onderzoekers werken met percentielen (v.b. 50e percentiel: 50% eet die hoeveelheid of
minder). De berekeningen worden gewogen voor seizoen, dag van de week en kleine afwijkingen
in demografische gegevens. Zo wordt de representativiteit verhoogd.
Week 2 Vetten
2.1 Je benoemt de verschillende soorten vetten in onze voeding.
2.2 Je legt uit wat de achtergrond is van de aanbeveling voor verschillende vetten en
vetzuren.
Week 1 Koolhydraten
1.1 Je benoemt de soorten koolhydraten in onze voeding.
1.2 Je legt uit wat de achtergrond is van de aanbeveling over koolhydraten.
1.3 Je definieert de glycemische index en glycemische belasting en onderbouwt de voor- en
nadelen van het toepassen van deze concepten.
1.4 Je benoemt de gezondheidseffecten die de verschillende soorten koolhydraten hebben.
1.5 Je legt uit wat de VCP is en hoe de voedingsinname in Nederland gemeten wordt.
Week 2 Vetten
2.1 Je benoemt de verschillende soorten vetten in onze voeding.
2.2 Je legt uit wat de achtergrond is van de aanbeveling voor verschillende vetten en vetzuren.
2.3 Je licht toe waar de discussie over ‘wel of geen negatieve gezondheidseffecten van verzadigd
vet’ op gebaseerd is.
Week 3 Eiwitten
3.1 Je beschrijft hoe eiwitten zijn opgebouwd en welke groepen aminozuren je kunt onderscheiden
(essentieel, semi-essentieel, niet-essentieel).
3.2 Je legt uit wat eiwitkwaliteit betekent, en legt uit welke methoden er zijn om die in kaart te
brengen.
3.3 Je legt uit wat de achtergrond is van de aanbeveling voor eiwitten voor niet-vegetariërs,
vegetariërs en veganisten.
Week 4 Alcohol
4.1 Je legt uit hoe alcohol in het lichaam wordt afgebroken en welke factoren van invloed zijn op de
snelheid van afbraak.
4.2 Je benoemt de positieve en negatieve effecten van alcohol in het lichaam en legt uit waardoor
deze ontstaan.
4.3 Je benoemt de aanbevelingen m.b.t. alcohol volgens de Gezondheidsraad en legt uit wat hier
de onderbouwing voor is.
Week 5 Zout 12-12-2017
5.1 Je legt uit wat de achtergrond van de richtlijn voor de hoeveelheid zout in voeding is.
5.2 Je legt uit welke producten grote leverancier zijn van zout in het Nederlands
consumptiepatroon en welke initiatieven er zijn om het zoutgehalte omlaag te brengen.
5.3 Je benoemt de functies die zout (Natrium, Kalium en Chloride) in het lichaam hebben.
Week 6 Vezels 19-12-2017
6.1 Je legt uit wat vezels zijn en benoemt de verschillende typen vezels.
6.2 Je legt uit wat hun functie in het lichaam is en welke gezondheidseffecten ze in het lichaam
kunnen hebben.
6.3 Je legt uit wat de achtergrond is van de richtlijn voor vezels.
Week 1 Koolhydraten
,1.1 Je benoemt de soorten koolhydraten in onze voeding.
1.2 Je legt uit wat de achtergrond is van de aanbeveling over koolhydraten.
1.3 Je definieert de glycemische index en glycemische belasting en onderbouwt de voor- en
nadelen van het toepassen van deze concepten.
1.4 Je benoemt de gezondheidseffecten die de verschillende soorten koolhydraten hebben.
1.5 Je legt uit wat de VCP is en hoe de voedingsinname in Nederland gemeten wordt.
1.1 Je benoemt de soorten koolhydraten in onze voeding.
Welke verschillende soorten koolhydraten komen er voor in onze voeding?
Monosacchariden: glucose, fructose, galactose
Disacchariden: maltose (2x glucose), sacharose (glucose en fructose), lactose (glucose en
galactose).
Oligosacchariden —> 3 - 9 eenheden : Maltodextrine (en vezels)
Polysacchariden —> 10+ : Glycogeen en zetmeel (en vezels)
Wat is ‘toegevoegd suiker’?
Toegevoegd suiker. Onder toegevoegde suikers worden alle mono- en disacchariden verstaan met
een calorische waarde van >3,5 kcal en uit andere bronnen dan groente, fruit en zuivelproducten.
Ook producten die volledig uit suikers bestaan, die niet afkomstig zijn van fruit, groenten of zuivel
vallen onder toegevoegde suikers. Hieronder vallen suiker, (vruchten)siroop, honing en gekonfijte
vruchten, etc. en alle polyolen.
Hoe worden glucose, galactose en fructose opgenomen?
Glucose en galactose worden opgenomen via actief transport.
Fructose wordt opgenomen via gefaciliteerde diffusie.
1.2 Je legt uit wat de achtergrond is van de aanbeveling over koolhydraten.
Wat is de aanbevolen hoeveelheid koolhydraten en waarom heb je het nodig?
Koolhydraten moet 40en% zijn van de voeding. Glucose levert energie voor de hersenen en
andere zenuwcellen. Glucose is nodig voor de ontwikkeling van rode bloedcellen.
Wat is gluconeogenese?
Gluconeogenese is de vorming van glucose uit eiwitten, glycerol en lactaat.
Waarom heeft het lichaam koolhydraten nodig?
Een zekere hoeveelheid koolhydraten in de voeding is nodig om afbraak van weefseleiwit te
voorkomen. Als de voeding geen koolhydraten bevat en de glycogeenvoorraad is uitgeput, is de
eiwitafbraak het hoogst (-> endogene glucoseproductie). Je moet +- 200 gram per dag
consumeren. De aanbevolen hoeveelheid is +- 40 gram per kg lichaamsgewicht.
Bij welke inname is de afbraak van weefseleiwitten minimaal voor 97,5% van de
Nederlandse bevolking?
Bij een inname van 1,4x van de gemiddelde endogene glucoseproductie is de afbraak van
weefseleiwitten minimaal voor 97,5% van de Nederlandse bevolking.
Gewicht x gemiddelde endogene glucoseproductie = … x 1,4 = aantal gram.
1.3 Je definieert de glycemische index en glycemische belasting en onderbouwt de voor- en
nadelen van het toepassen van deze concepten.
, Wat is de glycemische index?
De glycemische index is een maat voor de snelheid waarmee glucose uit koolhydraten in het bloed
beschikbaar komt. Wanneer je een lage GI hebt is er sprake van een tragere, geleidelijke stijging
van de glucose concentratie. Producten met een hoge GI worden vaak ‘minder goed’ genoemd. De
hogere postprandiale glucosepiek die dan ontstaat, zou het lichaam belasten waardoor er een
hogere afgeeft van insuline ontstaat. Een chronisch verhoogde insulinebehoefte kan resulteren in
uitputting van B-cellen van de alvleesklier, waardoor glucose-intolerantie (insulineresistentie)
ontstaat. Een lage GI = <55 en een hoge GI = >70
Wat kan invloed hebben op de GI?
Het type koolhydraten dat geconsumeerd wordt, de bewerking of bereiding van het
voedingsmiddel, de samenstelling en fysieke eigenschappen.
Hoe bereken je de Glycemische belasting?
Glycemische belasting = (GI/100) x verteerbare koolhydraten per portie
(Geeft een meer reëel beeld omdat er rekening gehouden wordt met de hoeveelheid koolhydraten
in een portie). Een lage GL = <10 en een hoge GL = >20.
1.4 Je benoemt de gezondheidseffecten die de verschillende soorten koolhydraten hebben.
Wat zijn vrije suikers?
Mono- en disacchariden die worden toegevoegd aan voedingsmiddelen tijdens de productie en
bereiding + de suikers die van nature aanwezig zijn in honing, siropen en vruchtensappen.
Welke effecten hebben suikerhoudende dranken op de gezondheid?
Het risico op diabetes wordt verhoogd, en kans op toename van lichaamsgewicht. Energie
geleverd door de suikers uit dranken, dragen minder bij aan verzadiging dan energie van suikers in
vaste voedingsmiddelen (je krijgt meer suikers binnen).
1.5 Je legt uit wat de VCP is en hoe de voedingsinname in Nederland gemeten wordt.
Wat is het VCP?
Het VCP is een representatieve steekproef van 3800 mensen ingedeeld op leeftijd, geslacht, regio,
mate van verstedelijking en het opleidingsniveau.
Hoe wordt de voedingsinname gemeten?
Het onderzoek bestaat uit 2x een 24-uurs recall over 3 jaar. Er zitten ongeveer 4 weken tussen de
2 recalls en alle dagen van de week worden zoveel mogelijk vertegenwoordigd. De afnemers
nemen vragen af bij de geïnterviewde zoals het tijdstip van de consumptie, de plaats,
bereidingswijze, vetgehalte en supplementgebruik. Tot 15 jaar en boven de 70 jaar wordt het
interview thuis of telefonisch afgenomen.
Hoe worden de innames berekend?
De onderzoekers werken met percentielen (v.b. 50e percentiel: 50% eet die hoeveelheid of
minder). De berekeningen worden gewogen voor seizoen, dag van de week en kleine afwijkingen
in demografische gegevens. Zo wordt de representativiteit verhoogd.
Week 2 Vetten
2.1 Je benoemt de verschillende soorten vetten in onze voeding.
2.2 Je legt uit wat de achtergrond is van de aanbeveling voor verschillende vetten en
vetzuren.