Geschiedenis van het medialandschap
Hoorcollege 6
4 oktober 2017
Notities
Film, radio en openbaarheid in Nederland tot 1940.
Introductie en verspreiding van film, radio.
Eerste filmvertoning in NL: 1896 12 maart.
Camille Cerf uit Brussel vertoont iets van Lumière bros.
Het Medium film verspreid geraakt via 2 kanalen:
- Reisbioscopen op kermissen. Vertonen alleen films. Jean Desmet (liggen nog
boekhouding o.i.d. van in EYE). Krijgt een tourtje en demonstratie van hoe techniek
van projectie en film enzo werkt, daarna mag je filmpje zien. Cinema of attractions:
niet alleen het kijken naar de film als voorstelling maar ook de hele set-up,
technische dingen (apparatuur enzo). Dat verschuift later wanneer mensen
technische stuff wel hebben gezien. Reisbioscopen zijn lang in NL actief geweest.
- Variété theaters. Live acts + films. In grote steden, reizen niet rond. Nemen filmpjes
op in hun variété programma, integreren die erin. Verschillende soorten filmpjes
laten ze zien. Blijft ingekaderd door programma dat gedomineerd wordt door live
acts. Filmpjes ingebed in live entertainment. Sommige theater exploitanten maken
ook zelf filmpjes om in hun theater te vertonen, maken dan studiootje op hun dak
enzo.
AANTAL VERSCHUIVINGEN:
Vanaf 1907/08:
Opkomst vaste bioscooptheaters die alleen films vertonen. Vanaf dit moment (1907/8) meer
vaste bioscopen. Minder voorkomend dan in het buitenland. Trage opkomst van bioscopen.
NL blijft beetje achterlopen op filmgebied.
Context: verandering in manier waarop exploitanten aan hun films komen. (verkoop
verhuur) Tot 1907 ongeveer moet je als exploitant een film kopen bij een ‘filmfabriek’.
Dat was duur om te exploiteren daarom weinig vaste bioscooptheaters. Overschakeling naar
verhuursysteem: huurt een film voor lager bedrag en beperkte periode om te vertonen.
Bioscoopexploitanten vertonen meer films in omloop, gaat veel sneller verschillende dingen
vertonen. Daarom kan je meer verschillende dingen laten zien en meer mensen trekken. Dan
hoef je niet meer rond te trekken om mensen te laten komen. Elke week een nieuw
programma. Nu weer discussie daarover door 2 academici met artikelen. Zeggen dat media
een stabiele institutionele vorm krijgen maar dat duurt even, aanloopperiode voor je daar
bent. Vaste bioscooptheater is zo’n goede vorm maar daar was dus aanloopperiode voor
nodig.
, Vanaf 1910:
Opkomst lange speelfilm. Cinema gaat draaien om vertellen van verhalen. Daarnaast:
Introductie van filmster. Door filmsterren wordt binding met publiek sterker. (Asta Nielsen,
Deense actrice, is vroege Europese filmster). Advertenties focussen meer op de sterren.
Lange speelfilms populair dus daarom uitbreiding van bioscoopbedrijf. Differentiatie
tussen verschillende soorten vaste bioscopen: elite- en gewone bioscopen. Elite: lange
speelfilms met sterren. Zijn duurder (want huurprijs van dat soort films ligt ook hoger).
Gewone: niet veel lange films maar meer ouder korter werk, lagere prijs. Maar die groei
stagneert in 1913 alweer. Markt voor bioscoop in NL is toch beperkt. Exploitanten kunnen
huurprijzen van grote films niet betalen. Daarom een truc: speelfilms worden weer
gecombineerd met live theater/acts. Grootste deel is dan wel (lange) speelfilm, maar
daaromheen live acts. Nieuwe attractie, vorm van live entertainment: explicateurs.
Verteltechniek van film was nog niet heel goed ontwikkeld. Dat wordt opgelost door een
explicateur, die bij (stille) film het verhaal uitlegt. Dan volgt het publiek het verhaal. Die
explicatie wordt al snel een act op zich. Is vaak leuker dan wat er eigenlijk op het scherm te
zien is. Opvoering van explicateur wordt net zo belangrijk als film zelf. Begin jaren ’20 hield
dat wel op, verteltechniek verbeterde dus explicateurs worden onnodig.
Filmbezoek blijft in NL relatief laag. Filmhistorici vragen zich nog steeds af waarom
Nederlanders niet naar bioscoop gaan.
Ook vanaf 1910:
Verzet tegen film en bioscoop als uitgaansgelegenheid komt op gang. Het ‘bioscoopkwaad’.
In termen van Foucault: sprake van vorming discours over film en bioscoop als bron van
zedeloosheid en moreel verval. Is dat echt zo? (Nee). Confessionelen (georganiseerde
katholieken en protestanten; vooral RK’en) brengen dat verhaal vooral in omloop. Leidt tot
invoering van filmkeuringen op gemeentelijk niveau (vanaf 1912). Daarom wordt soms
geknipt in films (of dekens voor het beeld houden enzo). Dat knippen beschadigt de film wel,
dat is probleem voor filmverhuurder. Er wordt geprobeerd de vertoning van film in te
kapselen in verzuilingstructuur die opkomt. Dat mislukt, door weerstand distributeurs, en
financiële moeilijkheid om dat te doen. Praktisch niet te doen. Film en bioscoop bleven in
Nederland grotendeels onverzuild. Dat is bij andere media wel het geval. Wordt soms
aangehaald als reden dat film niet zo super populair was in NL.
1914-1918. WO1
WO1 heeft effecten op filmcultuur in NL.
- Importbeperkingen. Beperkingen handelsverkeer. Weinig inheemse filmindustrie dus
import was belangrijk. Nederland zou als neutraal land doorgeefluik kunnen zijn
tussen oorlogvoerende landen dus minder import. Ook om propaganda redenen.
- Dat geeft stimulans voor Nederlandse filmproductie. Dat is tijdelijk effect. Filmfabriek
Hollandia is belangrijkste, Maurits Binger. Bestaat tot begin jaren 20 met groot
succes, grote productie en best wat export naar buitenland. Binger lanceert eerste
Nederlandse filmster (Annie Bos). Naturel manier van acteren, sluit goed aan op NL-
film. Doet ook eigen stuntwerk. Kort na WO1 gaat Hollandia bijna failliet,
overgenomen door Engelsen. Annie trouwt met notaris en heeft nooit meer willen
praten over haar filmcarrière. Film was beneden haar stand als vrouw van notaris.
- Bezoek aan bioscopen en ander amusement neemt toe. Vooral vanaf najaar 1916.
Waarom? Kolenschaarste: geen verlichting en warmte thuis dus mensen gaan uit.
Hoorcollege 6
4 oktober 2017
Notities
Film, radio en openbaarheid in Nederland tot 1940.
Introductie en verspreiding van film, radio.
Eerste filmvertoning in NL: 1896 12 maart.
Camille Cerf uit Brussel vertoont iets van Lumière bros.
Het Medium film verspreid geraakt via 2 kanalen:
- Reisbioscopen op kermissen. Vertonen alleen films. Jean Desmet (liggen nog
boekhouding o.i.d. van in EYE). Krijgt een tourtje en demonstratie van hoe techniek
van projectie en film enzo werkt, daarna mag je filmpje zien. Cinema of attractions:
niet alleen het kijken naar de film als voorstelling maar ook de hele set-up,
technische dingen (apparatuur enzo). Dat verschuift later wanneer mensen
technische stuff wel hebben gezien. Reisbioscopen zijn lang in NL actief geweest.
- Variété theaters. Live acts + films. In grote steden, reizen niet rond. Nemen filmpjes
op in hun variété programma, integreren die erin. Verschillende soorten filmpjes
laten ze zien. Blijft ingekaderd door programma dat gedomineerd wordt door live
acts. Filmpjes ingebed in live entertainment. Sommige theater exploitanten maken
ook zelf filmpjes om in hun theater te vertonen, maken dan studiootje op hun dak
enzo.
AANTAL VERSCHUIVINGEN:
Vanaf 1907/08:
Opkomst vaste bioscooptheaters die alleen films vertonen. Vanaf dit moment (1907/8) meer
vaste bioscopen. Minder voorkomend dan in het buitenland. Trage opkomst van bioscopen.
NL blijft beetje achterlopen op filmgebied.
Context: verandering in manier waarop exploitanten aan hun films komen. (verkoop
verhuur) Tot 1907 ongeveer moet je als exploitant een film kopen bij een ‘filmfabriek’.
Dat was duur om te exploiteren daarom weinig vaste bioscooptheaters. Overschakeling naar
verhuursysteem: huurt een film voor lager bedrag en beperkte periode om te vertonen.
Bioscoopexploitanten vertonen meer films in omloop, gaat veel sneller verschillende dingen
vertonen. Daarom kan je meer verschillende dingen laten zien en meer mensen trekken. Dan
hoef je niet meer rond te trekken om mensen te laten komen. Elke week een nieuw
programma. Nu weer discussie daarover door 2 academici met artikelen. Zeggen dat media
een stabiele institutionele vorm krijgen maar dat duurt even, aanloopperiode voor je daar
bent. Vaste bioscooptheater is zo’n goede vorm maar daar was dus aanloopperiode voor
nodig.
, Vanaf 1910:
Opkomst lange speelfilm. Cinema gaat draaien om vertellen van verhalen. Daarnaast:
Introductie van filmster. Door filmsterren wordt binding met publiek sterker. (Asta Nielsen,
Deense actrice, is vroege Europese filmster). Advertenties focussen meer op de sterren.
Lange speelfilms populair dus daarom uitbreiding van bioscoopbedrijf. Differentiatie
tussen verschillende soorten vaste bioscopen: elite- en gewone bioscopen. Elite: lange
speelfilms met sterren. Zijn duurder (want huurprijs van dat soort films ligt ook hoger).
Gewone: niet veel lange films maar meer ouder korter werk, lagere prijs. Maar die groei
stagneert in 1913 alweer. Markt voor bioscoop in NL is toch beperkt. Exploitanten kunnen
huurprijzen van grote films niet betalen. Daarom een truc: speelfilms worden weer
gecombineerd met live theater/acts. Grootste deel is dan wel (lange) speelfilm, maar
daaromheen live acts. Nieuwe attractie, vorm van live entertainment: explicateurs.
Verteltechniek van film was nog niet heel goed ontwikkeld. Dat wordt opgelost door een
explicateur, die bij (stille) film het verhaal uitlegt. Dan volgt het publiek het verhaal. Die
explicatie wordt al snel een act op zich. Is vaak leuker dan wat er eigenlijk op het scherm te
zien is. Opvoering van explicateur wordt net zo belangrijk als film zelf. Begin jaren ’20 hield
dat wel op, verteltechniek verbeterde dus explicateurs worden onnodig.
Filmbezoek blijft in NL relatief laag. Filmhistorici vragen zich nog steeds af waarom
Nederlanders niet naar bioscoop gaan.
Ook vanaf 1910:
Verzet tegen film en bioscoop als uitgaansgelegenheid komt op gang. Het ‘bioscoopkwaad’.
In termen van Foucault: sprake van vorming discours over film en bioscoop als bron van
zedeloosheid en moreel verval. Is dat echt zo? (Nee). Confessionelen (georganiseerde
katholieken en protestanten; vooral RK’en) brengen dat verhaal vooral in omloop. Leidt tot
invoering van filmkeuringen op gemeentelijk niveau (vanaf 1912). Daarom wordt soms
geknipt in films (of dekens voor het beeld houden enzo). Dat knippen beschadigt de film wel,
dat is probleem voor filmverhuurder. Er wordt geprobeerd de vertoning van film in te
kapselen in verzuilingstructuur die opkomt. Dat mislukt, door weerstand distributeurs, en
financiële moeilijkheid om dat te doen. Praktisch niet te doen. Film en bioscoop bleven in
Nederland grotendeels onverzuild. Dat is bij andere media wel het geval. Wordt soms
aangehaald als reden dat film niet zo super populair was in NL.
1914-1918. WO1
WO1 heeft effecten op filmcultuur in NL.
- Importbeperkingen. Beperkingen handelsverkeer. Weinig inheemse filmindustrie dus
import was belangrijk. Nederland zou als neutraal land doorgeefluik kunnen zijn
tussen oorlogvoerende landen dus minder import. Ook om propaganda redenen.
- Dat geeft stimulans voor Nederlandse filmproductie. Dat is tijdelijk effect. Filmfabriek
Hollandia is belangrijkste, Maurits Binger. Bestaat tot begin jaren 20 met groot
succes, grote productie en best wat export naar buitenland. Binger lanceert eerste
Nederlandse filmster (Annie Bos). Naturel manier van acteren, sluit goed aan op NL-
film. Doet ook eigen stuntwerk. Kort na WO1 gaat Hollandia bijna failliet,
overgenomen door Engelsen. Annie trouwt met notaris en heeft nooit meer willen
praten over haar filmcarrière. Film was beneden haar stand als vrouw van notaris.
- Bezoek aan bioscopen en ander amusement neemt toe. Vooral vanaf najaar 1916.
Waarom? Kolenschaarste: geen verlichting en warmte thuis dus mensen gaan uit.