7.1.1 Je herkent abiotische en biotische factoren
7.1.2 Je interpreteert gegevens uit een tolerantiediagram
7.1.3 Je bepaalt de indeling van soorten in groepen basis van hun
wetenschappelijke soortnaam
Biotische factor: De invloed van organisme op andere organisme.
Abiotische factor: Factoren uit de levenloze natuur die invloed hebben op
organisme.
Tolerantiegebied: Bepaalde eigenschappen waaraan een gebied moet
voldoen zodat er organisme kunnen leven.
Tolerantiegrenzen: Het minimale of maximale van abiotische en biotische
factoren die een gebied moet hebben zodat een organisme daar kan
leven.
Optimumwaarde: waarde waarbij het meeste organisme kunnen
overleven.
Wetenschappelijke naam: Naam die over de hele wereld wordt gebruikt
voor 1 specifiek organisme. Bedacht door Linneaus. Bestaat uit 2
onderdelen:
Geslacht: nauw verwant zijn en vergelijkbare kenmerken delen. Wordt
geschreven met een hoofdletter.
> Rangifer: Geslacht waartot rendieren behoren.
Soortaanduiding: organisme behoren tot dezelfde soort als ze vruchtbare
nakomelingen kunnen krijgen. Kleine letter.
> tarandus: soortaanduiding voor rendieren.
Een eventuele derde toevoeging kan een ondersoort of de naam van de
persoon die die soort als eerst heeft beschreven.
Ondersoort: soortgenoten met net afwijkende kenmerken.
> Rangifer tarandus tarandus is de Noorse rendier, maar Rangifer
tarandus caribou is de boskariboe in de VS of in Canada.
Ordening:
Soorten → geslachten → families → ordes.
, § 7.2: Populatie
7.2.1 Je vergelijkt de begrippen populatiegrootte en populatiedichtheid.
7.2.2 Je legt verband tussen draagkracht van een gebied en
populatiegrootte.
7.2.3 Je vergelijkt de invloed van monoculturen en biologische landbouw
op de biodiversiteit en populatiegrootte in een gebied.
7.2.4 Je beschrijft geslachtelijke eb ongeslachtelijke voortplanting bij
planten
Populatie: organismen van dezelfde soort in een bepaald gebied.
Populatiegrootte: aantal individuen van een populatie.
Populatiedichtheid: Populatiegrootte/ aantal m2 of ha. Zo krijg je te zien
hoeveel organisme er per oppervlakte-eenheid leven.
Draagkracht: Maximale capaciteit van een ecosysteem om voldoende
voedsel, schuil-en nestplaatsen te leveren.
Een populatie kan volop groeien als er geen natuurlijke vijand is en snelle
voortplanting. Er ontstaat dan een plaag.
Plaag: hoeveelheid van een bepaald organisme een ander organisme
hindert. Hoe kleiner een gebied, hoe groter de kans op een plaag.
> Vossen en wolven zijn in Nederland weggehaald. Hierdoor heeft de muis
minder > natuurlijke vijanden, waardoor er een plaag is
ontstaan.
Exoot: organisme die door menselijke handmatigheid in een gebied zijn
gekomen. Als ze hebben geen natuurlijke vijand, kan er makkelijk een
plaag ontstaan.
Verspreidingsgebied: De plek waar iets oorspronkelijk voorkomt.
Monocultuur: Akker met 1 soort gewas. Monoculturen zijn efficiënt,
goedkoop en makkelijk om te verzorgen, maar wel vatbaar voor plagen,
omdat er geen natuurlijke vijanden zijn en plaagdieren komen makkelijk
aan voedsel en biodiversiteit neemt af.
Bestrijdingsmiddel: middel om plaagdieren te verwijderen in
monoculturen. Het nadelig, omdat het giftig is en omdat ook andere
organisme dan plaagdieren doodgaan.
Biodiversiteit: hoeveelheid verschillende organisme in een gebied.
Biologische landbouw: gewassen duurzaam verbouwen zonder kunstmest
of chemische bestrijding. Als bestrijdingsmiddelen worden natuurlijke
vijanden ingeschakeld. Ook de grotere biodiversiteit helpt bij het
tegengaan van plagen.