Om te weten welke vorm van de werkwoord spelling je moet gebruiken, gaan we
eerst kijken naar de stam:
Werken- werk
Bestellen- bestel
Lopen- loop
Om de stam de bepalen gebruik je de ik vorm.
Voorbeeld:
Ik werk werk
Ik loop loop
Ik fiets fiets
Tegenwoordige tijd: de tijd van nu, dus wat nu afspeelt.
De volgende vormen zijn nu van toepassing.
Stam : ik fiets altijd naar school
Stam + t : Hij fiets altijd naar school
Stam + en: Wij fietsen altijd naar school
Uitzondering is een vraag:
Fiets jij altijd naar school?
Verleden tijd
Verleden tijd is iets wat in het verleden is gebeurd
Er zijn 2 soorten verleden tijd: regelmatige werkwoorden en onregelmatige
werkwoorden
Regelmatige werkwoorden
ik Stam + te/de werkte verhuisde
jij Stam+ te/de werkte verhuisde
Hij/Zij/Het Stam+te/de werkte verhuisde