Afferent en efferent
Sensor → afferente neuronen → hersenen (black box) → efferente neuronen → effector
• Afferent = naar hersenen toe: sensor reuk, zicht, geluid, smaak en tast (tast:
somatosensorisch & viscerosensorisch)
• Efferent = van hersenen af: effector
o Somatomotorisch systeem = dwarsgestreepte spieren
o Visceromotorisch systeem = gladde spieren & klieren
Lokalisatie van de laesie
Laesie = onderbreking flow informatie door zenuwstelsel → verandering of afwezigheid van output.
• Lokaliseren laesie → karakteriseren laesie → oorzaak vaststellen
Neuroloog observeert output van hersenen, als nodig door manipulatie van de input.
Alleen output: motorisch gedrag
Output na manipulatie: reflexen & neus aanraken met vinger bij gesloten ogen
→ afferent (input) & efferent (output) is diagnostisch belangrijk
Onderbreking van de flow van informatie
• Afferent: sensorische deficiëntie = (gedeeltelijk) verlies van zintuigelijke functies
• Efferent: motorische deficiëntie = (gedeeltelijk) verlies somatomotorische functies (parese of
paralyse) en/of visceromotorische functies (viscerale disfuncties)
• Black box: complexe verandering cognitieve functies
Vaak zijn axonen van afferente en efferente neuronen samengevoegd (perifere zenuwen) of heel dicht
bij elkaar (ruggenmerg/hersenstam) → laesie zorgt vrijwel altijd voor onderbreking in afferente en
efferente flow → gemengde sensomotorische symptomen
Gevolgen van laesies in het zenuwstelsel
• Doorgesneden axon losgekoppeld van cellichaam degenereert en verdwijnt, omdat het
cellichaam zorgt voor eiwitsynthese en energie.
• Axon bestaat uit 1 cel → laesie irreversibel
→ zenuw rondom axonen kan wel repareren (zodat het wel duidelijk is waarheen het axon moet
groeien) er zullen echter alleen nog proximaal in de zenuw axonen aanwezig zijn
Laesie perifere zenuw
Zenuw = bundel axonen, afferent & efferent → distale deel degenereren geen relatie tot richting flow
Enige manier om functie terug te krijgen, is als axon opnieuw uitgroeit
Links-rechtsparadox
Medische afbeelding: links afbeelding, rechts patiënt (frontaal) & van voetbed genomen (axiaal)
Twee kanten van een hersenplak
Niet alle beeldvorming heeft dikte van zichzelf → verschil tussen voor- en achterkant
• Röntgenfoto: wel dikte, maar zeer lastig waarneembaar
• MRI: 1 pixel dik → voor- & achterkant identiek aan elkaar, terwijl L en R verwisseld kunnen zijn
,Links en rechts in de neurologie
Kruising: L brein controleert R lichaam & R brein controleert L lichaam
Een ander probleem: voor en achter
Zenuwstelsel is een lange buis met rostrale zijde bovenaan & caudale zijde onderaan
Dorsaal = achter buis Ventraal = voor buis
In hersenen bocht van 90 graden, waardoor goed op terminologie gelet moet worden
Onderverdeling zenuwstelsel
Centrale zenuwstelsel = brein & ruggenmerg
Perifere zenuwstelsel = hersenzenuwen, spinale zenuwen & ganglia (= klonten cellichamen)
Somatisch zenuwstelsel = somatomotorisch & somatosensorisch
Autonome zenuwstelsel = visceromotorisch (sympatisch, parasympatisch & enterisch) &
viscerosensorisch
Hersenblazen en embryologische oorsprong
Prosencephalon:
• Telencephalon: neocortex, basale ganglia & limbisch systeem
• Diencephalon: thalamus & hypothalamus
Mesencephalon: middenbrein
Rhombencephalon
• Metencephalon: pons & cerebellum
• Mylencephalon: medulla oblongata
Hersenstam = mesencephalon + rhombencephalon (- cerebellum)
Centrale lobben, sulci & fissuren
Oppervlakkige kenmerken van cerebrale hemisferen (grote hersenen) worden bedekt door schors,
die is gekronkeld zodat het binnen de schedel zou passen (30% oppervlakte zichtbaar)
Lobben = vernoemd naar botten waar ze onder zitten; geen functionele betekenis, maar wel
nuttig om aan te geven waar inactiviteit/activiteit in zenuwstelsel bevindt.
• Frontaal
• Pariëtaal
• Occipitaal
• Temporaal
Gleuven:
• Sulcus = helemaal ook in diepte omgeven door neocortex – meer oppervlakkig dan fissuren
- Sulcus centralis cerebri = tamelijk ondiep; alleen omgeven door neocortex
- Sulcus calcarinus = diep; alleen omgeven door neocortex
• Fissuur = diepte omgeven door andere soorten cortex
- Fissura longitudinalis cerebri = diep; omgeven neocortex, allocortex & corpus callosum
- Fissura lateralis cerebri = diep & uitgebreid; omgeven door neocortex & allocortex
Cerebrale gyri
Gyrus precentralis (M1) = voor centrale sulcus = primaire somatomotorische cortex – alle
commando’s naar lagere niveaus.
Gyrus postcentralis (S1) = achter centrale sulcus = primaire somatosensorische cortex – eerste
verwerking station van tastinformatie in de schors.
,HC An Neuroanatomie 2: Neuronen en andere cellen
Neuron
Neuron = zenuwcel van de hersenen
• Dendriet = uitloper
• Perikaryon/soma/neuron = lichaam
• Axon
• Telodendria
• Terminalen
• Synapsen = neuronen met elkaar in contact (neurotransmitters – excitatoir & inhibitoir)
Myelineschedes = opvoeren geleidingssnelheid, met knopen van Ranvier → salatoire conductie
Actiepotentiaal wordt gegenereerd door axonheuvel aan het eind van perikaryon, als alle
postsynaptische potentialen (excitatoir & inhibitoir) van dendrieten opgeteld drempelwaarde
overschrijden.
Signalen
1. Postsynatpisch membraan potentiaal → dendrieten – verzwakking & variabel
2. Actie potentiaal → axonen en telodendria – geen verzwakking & alles of niets
3. Neurotransmitters → terminalia
Perifere zenuwstelsel
Elke zenuw heeft een sensorisch en een motorisch gedeelte:
• Voorhoorn: motorisch gedeelte
• Achterhoorn: sensorisch gedeelte
Afferente neuronen altijd pseudo-unipolair = perikaryon als zijtak verbonden aan axon – ganglion
Neuroganglia
Neuroglia = noodzakelijk voor constant milieu & bescherming van neuronen
Centrale zenuwstelsel
• Astrocyten = omgeven van oppervlakte neuronen, waar niks anders zit
- Structurele ondersteuning
▪ Bloed-hersen barrière door glia limitans perivascularis – om bloedvaten
▪ Hersen-liquor barrière door glia limitans superficialis – om
subarachnoïdale ruimte
- Kaliumspiegel/neurotransmitters controleren = belangrijk voor elektrisch evenwicht
neuronen; bij te veel kalium → opname astrocyten → transporteren en afgeven op
andere plek
• Oligodendrocyten = myelineschede CZS
• Ependymale cellen
- Plaveisel tot columnair epitheelbegrenzing ventrikels
▪ Cilia: circuleren CSF – vloeistof mag niet stilstaan
▪ Doorlaatbare barrière tussen CSF & ECF – eronder laag astrocyten (hersen
liquor barrière)
▪ Plexus choroideus = productie CSF & absorptie van afvalproducten
, • Microgliacellen = mononucleaire fagocyten = dode cellen opruimen – geen neuro-
ectodermale afkomst, maar migreren tijdens embryonale ontwikkeling naar het brein
Perifere zenuwstelsel
• Cellen van Schwann = myelineschede PZS
- Gemyleniseerde schwann cellen = myelineschede voor gemyeliniseerde axonen
- Ongemyleniseerde schwann cellen = gleufjes waar axonen in kunnen zitten
▪ Remak Bundle = 6-10 Ongemyleniseerde axonen in schwann cell
• Satellietcellen = omhullen ganglionen helemaal; zelfde functie astrocyten