• Bladeren bestaan uit verschillende typen weefsels.
– Weefsel met bladgroenkorrels: hierin kan fotosynthese plaatsvinden.
– Vaatbundels: hiermee worden o.a. water en suiker vervoerd. In
(bloem)bladeren vertakken de vaatbundels zich in nerven.
– Opperhuid met huidmondjes: hiermee worden gassen opgenomen en
afgegeven.
• Het grootste deel van de bladeren van planten bestaat uit weefsel met
bladgroenkorrels. De opperhuidcellen en de nerven hebben geen
bladgroenkorrels. De sluitcellen van de huidmondjes hebben wel
bladgroenkorrels.
• Fotosynthese: koolstofdioxide en water worden omgezet in glucose en
zuurstof. – Hierbij wordt lichtenergie vastgelegd in glucose.
– Hierbij zijn (zon)licht, bladgroen en een juiste temperatuur nodig.
• Huidmondjes kunnen openen en sluiten, afhankelijk van de omstandigheden
(bijv. dag/nacht).
– De sluitcellen veranderen van vorm wanneer de druk van het celmembraan
op de celwand van de cellen verandert.
•Vaatbundels bestaan uit houtvaten en bastvaten.
• Houtvaten vervoeren water en opgeloste mineralen (voedingszouten) van de
wortels via de stengels naar de bladeren.
• Houtvaten bestaan uit boven elkaar liggende dode houtcellen.
– De celwanden zijn verdikt en bestaan uit cellulose en houtstof.
– De cellen en de dwarswanden zijn verdwenen.
• Bastvaten vervoeren vooral water en energierijke stoffen van de bladeren
naar alle delen van de plant.
• Bastvaten bestaan uit boven elkaar liggende levende bastcellen.
– In de dwarswanden zitten openingen.
, • Ligging van houtvaten en bastvaten.
– In stengels in vaatbundels: houtvaten aan de binnenkant, bastvaten aan de
buitenkant.
– In bladeren in vaatbundels die in nerven liggen: houtvaten aan de
bovenzijde, bastvaten aan de onderzijde.
– In een stam van een boom: houtvaten aan de binnenkant, bastvaten aan de
buitenkant (in de bast).
• Door water; hierdoor stijgt de druk van de cel tegen de celwand.
– In vrijwel alle levende cellen van wortels, stengels en bladeren.
• Door houtvaten; dikke wanden met cellulose en houtstof.
– In wortels en stengels (in vaatbundels) en in bladeren (in nerven).
• Door vezels; dikke celwanden met cellulose en houtstof.
– In stengels: aan de buitenkant van de stengel of rondom vaatbundels.
– In bladeren: rondom vaatbundels (de buitenste laag van nerven).
• Wortels nemen water en mineralen op via de celwanden van de wortelharen
(uitstulpingen van opperhuidcellen).
• Wortels, stengels en bladeren transporteren water en mineralen via
houtvaten.
– Vooral door zuiging van de bladeren: door verdamping van water uit de
bladeren wordt water in de houtvaten omhoog gezogen.
– Ook door worteldruk: de wortels ‘persen’ het water omhoog.
• Het grootste deel van het opgenomen water verdampt; een klein deel wordt
verbruikt bij de fotosynthese.
• De mineralen worden gebruikt bij de vorming van stoffen waaruit planten zijn
opgebouwd, bijv. eiwitten.