Hoofdstuk 1
1.1 Doel en publiek
Een spreker heeft een doel. De drie belangrijkste spreekdoelen zijn:
o Informeren
o Instructie geven
o Overtuigen of mening geven
Een spreker richt zich vaak op een bepaald publiek, hieraan past hij zijn spreekdoelen aan
1.2 Onderwerp en hoofdgedachte
Het onderwerp beschrijft in enkele woorden waarover de tekst gaat
De hoofdgedachte vat in één zin samen waarover de tekst gaat
1.3 Signaalwoorden herkennen
Signaalwoorden wijzen op belangrijkste relaties in een tekst, bijvoorbeeld:
o In de tweede plaats: er wordt een tweede punt genoemd, dit betekent dat er al een is
genoemd
o Omdat: er wordt een reden of argument genoemd
o Bijvoorbeeld: er wordt een voorbeeld genoemd
o Vooral: het belangrijkste wordt genoemd
1.4 Globaal, intensief en zoekend luisteren
Globaal luisteren: je luister dopervlakkig en begrijpt ongeveer waar het over gaat,
bijvoorbeeld een verslag
Intensief luisteren: je luistert intensief naar bijvoorbeeld een uitleg, alle informatie is
belangrijk
Zoekend luisteren: je luistert globaal tot je de informatie krijgt waarop je wacht, je luistert
dus eerst globaal en dan intensief