Natuurkunde Samenvatting Hoofdstuk 5
Paragraaf 1
De meeste stoffen bestaan uit moleculen of uit losse atomen (metalen). Moleculen zijn ook
opgebouwd uit atomen. Alle atoomsoorten zijn geordend in het periodiek systeem.
Atomen bestaan uit nog kleinere deeltjes: elk atoom heeft een kern met protonen en
neutronen, hieromheen bewegen elektronen.
- Proton heeft een positieve lading die even groot is als de negatieve lading van het
elektron.
- Neutron heeft geen lading. Een proton en een neutron hebben even grote massa.
- Elektron is negatief geladen en speelt een rol bij elektriciteit en binding tussen
atomen. Elektronen hebben een massa die ongeveer 1800 keer zo klein is als de
massa van een proton/neutron.
Het aantal protonen in de kern bepaalt de atoomsoort en het atoomnummer. De massa van
een atoom wordt bepaald door de massa van de kern:
A=N+Z
- A = massagetal (aantal kerndeeltjes)
- N = aantal neutronen
- Z = atoomnummer (aantal protonen)
Van elke atoomsoort zijn er meerdere varianten, waarbij het aantal neutronen verschilt. Deze
heten isotopen. Isotopen hebben ook dezelfde chemische eigenschappen en verschillen
alleen in massa. 21 H kun je ook schrijven als H-2 of waterstof-2.
Omdat de massa van een atoom erg klein is gebruik je de atomaire massaeenheid, u. 1 u is
gelijk aan 1,66 x 10-27 kg. De atoommassa staat bij BiNaS 25.
Paragraaf 1
De meeste stoffen bestaan uit moleculen of uit losse atomen (metalen). Moleculen zijn ook
opgebouwd uit atomen. Alle atoomsoorten zijn geordend in het periodiek systeem.
Atomen bestaan uit nog kleinere deeltjes: elk atoom heeft een kern met protonen en
neutronen, hieromheen bewegen elektronen.
- Proton heeft een positieve lading die even groot is als de negatieve lading van het
elektron.
- Neutron heeft geen lading. Een proton en een neutron hebben even grote massa.
- Elektron is negatief geladen en speelt een rol bij elektriciteit en binding tussen
atomen. Elektronen hebben een massa die ongeveer 1800 keer zo klein is als de
massa van een proton/neutron.
Het aantal protonen in de kern bepaalt de atoomsoort en het atoomnummer. De massa van
een atoom wordt bepaald door de massa van de kern:
A=N+Z
- A = massagetal (aantal kerndeeltjes)
- N = aantal neutronen
- Z = atoomnummer (aantal protonen)
Van elke atoomsoort zijn er meerdere varianten, waarbij het aantal neutronen verschilt. Deze
heten isotopen. Isotopen hebben ook dezelfde chemische eigenschappen en verschillen
alleen in massa. 21 H kun je ook schrijven als H-2 of waterstof-2.
Omdat de massa van een atoom erg klein is gebruik je de atomaire massaeenheid, u. 1 u is
gelijk aan 1,66 x 10-27 kg. De atoommassa staat bij BiNaS 25.