Hout
Bouwmateriaal:
- beschikbaarheid en transporteerbaarheid
- bewerkbaarheid
- relatief sterk > relatief grote overspanningen
- prijs
- natuurlijk en hernieuwbaar
- = alleskunner > multi-inzetbaar
- restwaarde na “sloop”
Duurzaam bosbeheer & Certificering
1. ecologisch verantwoord
2. respect voor sociaal-culturele aspecten > inheemse volkeren
3. economisch haalbaar
FSC = Forest Stewardship Council (1993)
- certificering van bossen
- labelen van houtproducten
Controles laten uitvoeren door onafhankelijke + controle om label te bekomen
Controle van verschillende betrokkenen: CHAIN CUSTODY (bos-zagerij-eindproduct)
Sterke groei in certificering, blinde vlek in Afrika > minder controle
Houtstructuur:
Belastingsrichting boom en belasting wind > Goede weerstand
Belastingsrichting dwars op vezels (loodrecht) > Minder weerstand
Hout = ANISOTROOP = eigenschappen richtingsafhankelijk
Naaldhout:
- bar klimaat, weinig vruchtbare grond
- dunne rechte stam, kruin in kegelvorm
- zuinig omgaan met water (kleverige naalden)
Loofhout:
- gematigde klimaten
- dikkere minder rechte stam, bolvormige kruin
- bladeren vallen in winter
Houtanatomie:
2 kringlopen: Sapkringloop & Koolstofkringloop
1. Opwaartse sapstroom via spinthout vanuit wortels naar kruin.
2. Sappen in bladeren omgezet met zonne-energie en koolzuur > voedingsstoffen
= Fotosynthese
3. Voedingsstoffen via bast/cambium (buitenste laag) terug naar de de wortels.
Boom groei in hoogte = primaire groei
Boom groei in dikte = secundaire groei > Cambium en sapstroom verplaatst
> Sapstroom valt van binnen stil > VERKERNING
,Celwand
Bouwblokken = Microfybrillen
> Vormen natuurlijk composiet materiaal met primaire en secundaire wand (3 deel wand)
Primaire wand: Lignine
- gevoelig voor zuren
- fungeert als cement
- complexe crosslink moleculen
Secundaire wand:
Buitenste laag Cellulose > treksterkte
Middelste laag Hemicellulose > elasticiteit wand
Vezels in wand BREEDTERICHTING > water opnemen
Vezels in wand LENGTERICHTING > sterker + minder wateropname
= Anisotropie
1. MERG: 1 jarige boom
2. KERNHOUT: mechanische sterkte van de boom
3. SPINTHOUT: aanvoer van de sappen
4. CAMBIUM: verantwoordelijk diktegroei, productie houtcellen
5. BAST: afvoer van de sappen
6. SCHORS: bescherming tegen klimaat en impact
LAATHOUT = najaar, winter > houtcellen minder snel aangemaakt in cambium
Smallere donkere laag + nauwe cellen met dikke celwand
VROEGHOUT = voorjaar > versnelt de groei
Bredere lichtere laag + grote cellen met dunne celwand
1 jaarring = 1 groeiseizoen
Loofhout: constante dikte in voorjaarshout > brede jaarringen > sterk
Naaldhout: constante dikte in laathout > smalle jaarringen > minder sterk
,Microscopisch - Naaldhout
- Tracheïden: langgerekte dunne cellen met puntige afsluiting (lengterichting)
opwaarts transport + sterkte boom
- Harsgangen: hars onder druk > helen van wonden (lengterichting) > grenen en vuren
- Houtstralen: transport in radicale richting + opslag reservestoffen
- Stippel: smalle opening in vezelwand > sapstroom van ene naar andere cel
Sluiten langs 1 kant > moeilijker om te drogen
Microscopisch - Loofhout
- Houtvezels: kleiner + dikkere wand dan tracheïden
- Houtvaten: Doorlopende buis van reeks kortere boven elkaar gelegen cellen
- Houtstraal: Beter zichtbaar dan bij naaldhout
- Axiaal parenchym: Vochttransport + opslag voeding + hars voor heling
- Inhoudsstoffen: bepalen duurzaamheid
- Thyllen: verstoppen vaten
Verspreiding van houtvaten: Verspreidporig of Ringporig?
, Eigenschappen hout
Volumieke massa
= Indicatie van sterkte, door opname vocht > volume en massa nemen toe van hout.
Vochtgehalte
= verhouding tussen de massa van water die aan het hout kan worden onttrokken en de
ovendroge massa van het hout
- gebonden water > in celwanden
- vrij water > in cel holten > makkelijk verdampen > zonder krimp
- 12 % ideale situatie
- binnencondities: evenwichtsvochtgehalte bij een bepaalde temp
en relatieve vochtigheid
Hygroscopisch
= neemt vocht op en vocht af aan zijn omgeving
Krimpen en zwellen
= “werken” van het hout, water in celwand verdampen
Bouwen bij lage temp > hoge vochtigheid
Kromtrekken en scheuren
>zaagrichting afhankelijk
- Dossen: evenwijdig met jaarringen > makkelijk kromtrekken (minder vormvast)
- Kwartiers hout: zuiver = minst kromtrekken, vals = zaagverlies
Bouwmateriaal:
- beschikbaarheid en transporteerbaarheid
- bewerkbaarheid
- relatief sterk > relatief grote overspanningen
- prijs
- natuurlijk en hernieuwbaar
- = alleskunner > multi-inzetbaar
- restwaarde na “sloop”
Duurzaam bosbeheer & Certificering
1. ecologisch verantwoord
2. respect voor sociaal-culturele aspecten > inheemse volkeren
3. economisch haalbaar
FSC = Forest Stewardship Council (1993)
- certificering van bossen
- labelen van houtproducten
Controles laten uitvoeren door onafhankelijke + controle om label te bekomen
Controle van verschillende betrokkenen: CHAIN CUSTODY (bos-zagerij-eindproduct)
Sterke groei in certificering, blinde vlek in Afrika > minder controle
Houtstructuur:
Belastingsrichting boom en belasting wind > Goede weerstand
Belastingsrichting dwars op vezels (loodrecht) > Minder weerstand
Hout = ANISOTROOP = eigenschappen richtingsafhankelijk
Naaldhout:
- bar klimaat, weinig vruchtbare grond
- dunne rechte stam, kruin in kegelvorm
- zuinig omgaan met water (kleverige naalden)
Loofhout:
- gematigde klimaten
- dikkere minder rechte stam, bolvormige kruin
- bladeren vallen in winter
Houtanatomie:
2 kringlopen: Sapkringloop & Koolstofkringloop
1. Opwaartse sapstroom via spinthout vanuit wortels naar kruin.
2. Sappen in bladeren omgezet met zonne-energie en koolzuur > voedingsstoffen
= Fotosynthese
3. Voedingsstoffen via bast/cambium (buitenste laag) terug naar de de wortels.
Boom groei in hoogte = primaire groei
Boom groei in dikte = secundaire groei > Cambium en sapstroom verplaatst
> Sapstroom valt van binnen stil > VERKERNING
,Celwand
Bouwblokken = Microfybrillen
> Vormen natuurlijk composiet materiaal met primaire en secundaire wand (3 deel wand)
Primaire wand: Lignine
- gevoelig voor zuren
- fungeert als cement
- complexe crosslink moleculen
Secundaire wand:
Buitenste laag Cellulose > treksterkte
Middelste laag Hemicellulose > elasticiteit wand
Vezels in wand BREEDTERICHTING > water opnemen
Vezels in wand LENGTERICHTING > sterker + minder wateropname
= Anisotropie
1. MERG: 1 jarige boom
2. KERNHOUT: mechanische sterkte van de boom
3. SPINTHOUT: aanvoer van de sappen
4. CAMBIUM: verantwoordelijk diktegroei, productie houtcellen
5. BAST: afvoer van de sappen
6. SCHORS: bescherming tegen klimaat en impact
LAATHOUT = najaar, winter > houtcellen minder snel aangemaakt in cambium
Smallere donkere laag + nauwe cellen met dikke celwand
VROEGHOUT = voorjaar > versnelt de groei
Bredere lichtere laag + grote cellen met dunne celwand
1 jaarring = 1 groeiseizoen
Loofhout: constante dikte in voorjaarshout > brede jaarringen > sterk
Naaldhout: constante dikte in laathout > smalle jaarringen > minder sterk
,Microscopisch - Naaldhout
- Tracheïden: langgerekte dunne cellen met puntige afsluiting (lengterichting)
opwaarts transport + sterkte boom
- Harsgangen: hars onder druk > helen van wonden (lengterichting) > grenen en vuren
- Houtstralen: transport in radicale richting + opslag reservestoffen
- Stippel: smalle opening in vezelwand > sapstroom van ene naar andere cel
Sluiten langs 1 kant > moeilijker om te drogen
Microscopisch - Loofhout
- Houtvezels: kleiner + dikkere wand dan tracheïden
- Houtvaten: Doorlopende buis van reeks kortere boven elkaar gelegen cellen
- Houtstraal: Beter zichtbaar dan bij naaldhout
- Axiaal parenchym: Vochttransport + opslag voeding + hars voor heling
- Inhoudsstoffen: bepalen duurzaamheid
- Thyllen: verstoppen vaten
Verspreiding van houtvaten: Verspreidporig of Ringporig?
, Eigenschappen hout
Volumieke massa
= Indicatie van sterkte, door opname vocht > volume en massa nemen toe van hout.
Vochtgehalte
= verhouding tussen de massa van water die aan het hout kan worden onttrokken en de
ovendroge massa van het hout
- gebonden water > in celwanden
- vrij water > in cel holten > makkelijk verdampen > zonder krimp
- 12 % ideale situatie
- binnencondities: evenwichtsvochtgehalte bij een bepaalde temp
en relatieve vochtigheid
Hygroscopisch
= neemt vocht op en vocht af aan zijn omgeving
Krimpen en zwellen
= “werken” van het hout, water in celwand verdampen
Bouwen bij lage temp > hoge vochtigheid
Kromtrekken en scheuren
>zaagrichting afhankelijk
- Dossen: evenwijdig met jaarringen > makkelijk kromtrekken (minder vormvast)
- Kwartiers hout: zuiver = minst kromtrekken, vals = zaagverlies