Inleiding: Preliminaria (theoretisch)
- De wereld is niet wat ze lijkt; is vooraf geordende structuur (plek, naam, …)
- Zizek = “niet geboren in de realiteit, maar in een symbolische orde”
- Geen genoegen nemen met “daarom”
Plato’s grot
- Plato = alle filosofie vertrekt uit de verwondering
- Grot als leefwereld; geprojecteerde schaduwen is alles wat we zien
- Beginpunt en leidraad vd filosofie = verwondering
Filosofie en ideologie
- Filosofie:
Wetenschap met logische samenhang
De verwondering overwinnen zonder haar te miskennen of te neutraliseren
Verwondering keert steeds terug, telkens discussies herbeginnen
- Ideologie:
Als het antwoord dat ze bieden luider klinkt dan de vraag
Het geheel van definitieve zekerheden die het bestaan ordenen
De historiciteit van de filosofie
- Filosofie is cultureel bepaald; verschillende culturen hebben een andere kijk
- Spatio-temporele context: vragen en antwoorden veranderen voortdurend
Geen constant antwoord op filosofische vragen
- Ons denken = voorafgaande reflecties; hoe mensen omgaan met de werkelijkheid
- Schrijven over de geschiedenis terwijl we er zelf buitenstaan
Lotgevallen filosofische rationaliteit
- Wereldbeeld:
Waar wij geboren zijn en die we vanzelf in ons opnemen
Geleidelijke ontwikkelingen ontstaan door reacties op problemen
HOOFDSTUK 1
1 Het ontstaan van de wijsgerige rationaliteit
- Logos = de rede (nieuw verklaringsprincipe); geboorte vd wijsbegeerte
- Mythen:
Verhalen die antwoorden op filosofische vragen
Verwijzen naar eenmalige, grondleggende gebeurtenissen waaruit het
bestaande wordt afgeleid
Kern van waarheid; maar niet kritisch, normatief
Normatief = niet alleen waarom ze zo zijn maar ook waarom ze zo moeten zijn
- Hesiodus = ontstaan vd goden:
Verklaringsmethoden
Natuurkrachten en hemellichamen beschreven als antropomorfe goden
, 1.1 Van mythos naar logos
- Vanaf 6de eeuw = verhalen interpreteren
- Xenophanes:
De mensen stellen de goden voor zoals hun eigen uiterlijk.; dit geldt ook zo
bij de dieren
Pleit voor de uitzuivering vh godsbeeld, geen antropomorfe voorstelling meer
- Mondeling overgeleverd
- Homerus = Ilias en Odyssee; eerste geschreven boek in 6de eeuw
- Logos = uitleg; rationele verklaring:
Universele geldigheid
Objectieve inzichtelijkheid
Systematische ordening
- Claude Lévi – Strauss:
“De mythe is een even waardevolle strategie als de wetenschap voor een
technologische samenleving.”
“Wilde denken” logos = “getemde denken”
- Na overgang:
Griekse mythen bevatten logos
Antropomorfe goden verhuizen naar de Olympos: desacralisering natuur
Mens zoekt verklaring niet meer in de kracht vd goden, maar in de rede
“Weten omwille van het weten”
Theoria; beschouwing; onderzoek = GRIEKSE WONDER
Theoria = zuiver beschouwelijke activiteit vd wetenschapper
Theoros = toeschouwer die op afstand kijkt, zonder zelf deel te nemen
1.2 De natuurfilosofen: ontstaan van een kosmologie
- 1ste filosofie = natuurfilosofie
- 1ste verklaringsmodel = materialistisch:
Thales = water als oerstof
Anaximenes = lucht als oerstof
! Er moet een oerprincipe zijn
- Kosmologie:
Phusis = “doen groeien; uit zichzelf groeien” (iets dat op zichzelf leeft; natuur)
Kosmologie = alles zit te mooi in elkaar; onwerkelijk
Kosmos = logos; leer vd mens, leer van wat schoon is
- Anaximander = natuur ontplooit zichzelf; het apeiron (onbekende)
- Heraclitus:
Filosoof van het worden
Werkelijkheid is wat je ziet (tegenovergestelde Plato)
“Alles vloeit, niets is blijvend”; permanente flux (geen 2x in dezelfde rivier <
Cratylus); steeds verandering = aforisme
Wereld als kosmos geen chaos
Spanning tussen tegengestelden “oorlog is de vader van alles”
1. Tegengestelden zijn complementair: licht – donker, warm – koud
2. In elkaar overgaan: koud nr warm, jong nr oud
3. Goed vr een, kwaad vr ander: water = leven vr vissen, dood vr mens
- De school van Athene < Rafaël
,- Parmenides:
Heraclitus’ tegenpool; leerstellingen radicaal tegengesteld
Waarheid hangt af vd logos
Het zijnde = uniek en onveranderlijk:
1. Het zijnde is, het niet zijnde is niet
2. Het is en onmogelijk dat het niet is/het is niet en onmogelijk dat het is
3. Het is en noodzakelijk dat het is/het is niet en noodzakelijk dat het niet
is
· Parmenides kiest 1ste weg
Het zijn:
· Kan niet verplaatsen; komt dan in het niet zijnde terecht (begrensd)
· Op de een of andere manier bestaand
· Is volmaakt, is af en kan niks meer worden
· Bevat geen gradaties of niveaus en is ondeelbaar
Fysica = studie vd natuur
Metafysica = wat de natuur overstijgt; het zijnsbegrip van Parmenides
- Russel en Owen: “is het of is het niet”:
Het = alles waarover gepraat en gedacht kan worden
Non contradictie = Kan niet zeggen dat een ding iets is en dat het iets niet is
- Denken over/ spreken over iets = het bestaat; niet altijd materieel, wel als concept
“Denken over het ondenkbare/het niet zijnde” = bestaat conceptueel
1.3 Het ontstaan van de ethiek
- Sacrale fundering in samenleving
- Globale komische orde:
Basileus = religieus gezag; koning die ook de hoogste religieuze functie heeft
Archon basileus = koningsmagistraat
In Athene
- Maatschappelijke en politieke veranderingen:
Bloedwraak verboden vanaf 624 v.Chr. = gecodificeerd strafrecht
Rationalisering van bestuurspraktijk:
· Familieclans
· Districten
1.3.1 De sofisten
- Rondtrekkende leraren die tegen betaling hun kennis delen
- Andere overtuigen > werkelijk gelijk hebben
- Logos = machtsmiddel
- Rede redevoering
“Geen kennen vd ultieme waarheid”
- Socrates:
Vraag nr de ware betekenis
, · Rede redenering
Innerlijke overtuiging = uiterlijke handelen
Logos = inzicht, waarheid, deugd
“Diegene die niks weet, wordt daardoor wijzer genoemd”
Voert dialoog met gesprekspartner: stelt hun kennis in vraag
Beschuldigd v jongeren op verkeerde spoor zetten veroordeeld tot dood
(Gifbeker)
2 De filosofie wordt een systeem
- Plato:
Wijsbegeerte = globale interpretatie van de totale werkelijkheid
Nooit in eigen naam
Voortdurende zoektocht nr wijsheid
· Gevonden antwoorden = verklaring nooit absolute waarheid
Belangrijkste werken:
1. De Staat
2. De Wetten
3. Apologie van Socrates
Socrates als leermeester
Kennis =zijn; mening = worden
2.1 De ziel, morele opvoeding en staatsorde volgens Plato
- Verteld in mythen
- 2 specifieke innovaties:
1. Leer over de ziel (ziel = onsterfelijk)
2. Beginsel vh zedelijke leven
- 3 delen vd ziel deugden:
1. Redelijke ziel verstandigheid
2. Het vurige/driftige dapperheid Rechtvaardigheid
3. Vermogen tot begeren zelfbeheersing/matigheid
- Morele opvoeding niet door specialisten:
Meningen doorgeven
· Wij vinden dat goed en leren het aan onze kinderen
· Overtuigingen die wel of niet gefundeerd zijn
- Morele staatsorde:
Filosofische mensen uitverkoren tot leiders = algemeen belang dienen
· Geen privé-eigendom; geen familiebanden
Helpers = bewaken/beschermen vd staat
Handwerkers = voorzien van materiële behoeften vd bevolking
- Goede staatsorde = goede orde vh individu
- Wet = plaatsvervanger vr utopische regeerder
- Ideeënwereld = laat toe dingen te begrijpen
- Participatie = relatie tussen de zintuiglijke wereld - de ideeën
- Mimèsis = nabootsing: zintuiglijke dingen zijn afbeeldingen vd ideeën (grot Plato)
2.1.1 Het Goede
= verheven boven alle andere ideeën
- Hoogste metafysische principe