Geslacht: Franse zelfstandige naamwoorden zijn mannelijk (masculin) of vrouwelijk (féminin). Het geslacht is
vaak willekeurig en moet je uit je hoofd leren.
Voorbeeld: "un chat" (een kat, mannelijk), "une fleur" (een bloem, vrouwelijk).
Meervoud: Om een zelfstandig naamwoord in het meervoud te zetten, voeg je "-s" toe aan mannelijke en "-es"
aan vrouwelijke zelfstandige naamwoorden.
Voorbeeld: "des chats" (katten), "des fleurs" (bloemen).
2. Bijvoeglijke naamwoorden (Adjectifs):
Bijvoeglijke naamwoorden moeten overeenkomen in geslacht en aantal met het zelfstandig naamwoord
waarnaar ze verwijzen.
Voorbeeld: "un grand chien" (een grote hond), "une grande fleur" (een grote bloem).
Sommige bijvoeglijke naamwoorden veranderen niet in geslacht.
Voorbeeld: "un chien gentil" (een aardige hond), "une fleur gentille" (een aardige bloem).
3. Lidwoorden (Articles):
Er zijn bepaalde (definite) en onbepaalde (indefinite) lidwoorden in het Frans.
Bepaalde lidwoorden:
Mannelijk enkelvoud: "le" (bv. "le chat" - de kat).
Vrouwelijk enkelvoud: "la" (bv. "la fleur" - de bloem).
Meervoud (mannelijk of vrouwelijk): "les" (bv. "les chats" - de katten, "les fleurs" - de bloemen).
Onbepaalde lidwoorden:
Mannelijk enkelvoud: "un" (bv. "un chien" - een hond).
Vrouwelijk enkelvoud: "une" (bv. "une fleur" - een bloem).
Meervoud: "des" (bv. "des chiens" - honden, "des fleurs" - bloemen).
4. Werkwoorden (Verbes):
Franse werkwoorden worden vervoegd op basis van persoon en tijd.
Infinitief: De basisvorm van een werkwoord (bv. "parler" - spreken).
Vervoeging:
Tegenwoordige tijd: Werkwoorden veranderen afhankelijk van de persoon (je, tu, il/elle, nous, vous, ils/elles).
Voorbeeld: "je parle" (ik spreek), "tu parles" (jij spreekt), "il/elle parle" (hij/zij spreekt).
Verleden tijd, toekomstige tijd, enz.: Er zijn verschillende tijden en vormen om te leren naarmate je vordert.