Lara Van de Voorde
Inhoudstafel:
1. De bouwstenen van drama, basisbegrippen het
domein drama
1.1 Een overzicht
- Rol: het spelen van een personage.
- Handeling en taal: duidelijk weergeven van situaties door middel van bewegingen en tekst.
- Ruimte: het spelen in de ruimte of een ruimte weergeven.
- Structuur: het verloop van een scène, de inhoud van een verhaal/ situatie.
- Tijd: het gebruik maken van timing en tempo of een bepaalde tijd weergeven.
- Samenspel: de interactie die ontstaat tussen verschillende personages.
1.2 Rol
Wat is rol?
De rol is het personage dat je speelt. Mentaal inleven in het personage + fysiek aanpassen aan het
personage. (rol geloofwaardig spelen + volhouden)
- Verkleden, schminken en attributen gebruiken
Personage spelen
- Inleving: kunnen voorstellen hoe personage zou reageren? Hoe het zich voelt, omgaat met
situaties. (houding en mimiek)
- Transformatie: fysiek aanpassen aan de rol (bewegingen, klakkleur + manier van spreken)
- Rolvastheid: volhouden van de kenmerken van je personage (elementen, inleving en
transformatie op dezelfde manier blijven spelen)
Typetje = rol met 1 of enkele duidelijke, uitvergrote kenmerken
Personage = genuanceerder en uit het leven geroepen
Vragen die je kan stellen
Inleving:
- Hoe boelt het zich?
- Wat vindt het fijn om te doen?
- Wat vinden anderen van hem?
Transformatie:
- Hoe ziet hij eruit?
- Wat zijn bijzondere kenmerken?
Ronvastheid:
- Aan welke bewegingen kan ik hem herkennen?
- Hoe klinkt zijn stem?
Wat leren de kleuters?
- Het spelen van eenvoudige gekende of gefantaseerde rollen (type).
- Houdingen en bewegingen van een type/ gekend dier.
- Enkele eenvoudige kenmerken velhouden (rolvastheid).
1
, Lara Van de Voorde
- Een kenmerk van het stemgebruik aanpassen aan de rol.
1.3 handeling en taal
Wat is handeling en taal
- geeft kleur aan situatie die je speelt
- personage gaat handelingen uitvoeren = non-verbaal spel (iets doen)
- taal gebruiken om boodschap duidelijk te maken = verbaal spel (iets zeggen waarop anderen
kunnen reageren)
maak de scène levend
handelingen:
- bewegingen die je maakt
- leeft personage + zorgt voor actie op scène
taal:
- verbale communicatie
- manier van spreken hangt vast aan de rol
- inhoud van taal afstemmen op handelingen en taal
- emoties passen bij taal
handelingen + taal = inhoud aan scène geven
vragen die je kan stellen
handelingen:
- wat doe je? Welke handelingen voer je uit?
- Wat doet de dokter, de verkoper…?
Taal:
- Wat zeg je? Wat zegt de verkopen, de bakker…?
- Hoe zeg je het?
Wat leren de kleuters?
- Bekende handelingen en situaties uit de eigen belevingswereld weergeven.
- Spelen met taal- en stemgebruik in de scène
1.4 ruimte
wat is ruimte?
- Spelen in de ruimte of weergeven van de ruimte
- Acteren doe je in een speelvlak = ruimte die je krijgt om in te spelen
- Ruimte functioneel benutten = belangrijk element in acteren
- Scène speelt zich af op een bepaalde plaats
- Suggereer ruimte door enkele decorelementen en door spel
Spelen in de ruimte
- Ruimtebewustzijn = voorziene ruimte durven gebruiken
2
Inhoudstafel:
1. De bouwstenen van drama, basisbegrippen het
domein drama
1.1 Een overzicht
- Rol: het spelen van een personage.
- Handeling en taal: duidelijk weergeven van situaties door middel van bewegingen en tekst.
- Ruimte: het spelen in de ruimte of een ruimte weergeven.
- Structuur: het verloop van een scène, de inhoud van een verhaal/ situatie.
- Tijd: het gebruik maken van timing en tempo of een bepaalde tijd weergeven.
- Samenspel: de interactie die ontstaat tussen verschillende personages.
1.2 Rol
Wat is rol?
De rol is het personage dat je speelt. Mentaal inleven in het personage + fysiek aanpassen aan het
personage. (rol geloofwaardig spelen + volhouden)
- Verkleden, schminken en attributen gebruiken
Personage spelen
- Inleving: kunnen voorstellen hoe personage zou reageren? Hoe het zich voelt, omgaat met
situaties. (houding en mimiek)
- Transformatie: fysiek aanpassen aan de rol (bewegingen, klakkleur + manier van spreken)
- Rolvastheid: volhouden van de kenmerken van je personage (elementen, inleving en
transformatie op dezelfde manier blijven spelen)
Typetje = rol met 1 of enkele duidelijke, uitvergrote kenmerken
Personage = genuanceerder en uit het leven geroepen
Vragen die je kan stellen
Inleving:
- Hoe boelt het zich?
- Wat vindt het fijn om te doen?
- Wat vinden anderen van hem?
Transformatie:
- Hoe ziet hij eruit?
- Wat zijn bijzondere kenmerken?
Ronvastheid:
- Aan welke bewegingen kan ik hem herkennen?
- Hoe klinkt zijn stem?
Wat leren de kleuters?
- Het spelen van eenvoudige gekende of gefantaseerde rollen (type).
- Houdingen en bewegingen van een type/ gekend dier.
- Enkele eenvoudige kenmerken velhouden (rolvastheid).
1
, Lara Van de Voorde
- Een kenmerk van het stemgebruik aanpassen aan de rol.
1.3 handeling en taal
Wat is handeling en taal
- geeft kleur aan situatie die je speelt
- personage gaat handelingen uitvoeren = non-verbaal spel (iets doen)
- taal gebruiken om boodschap duidelijk te maken = verbaal spel (iets zeggen waarop anderen
kunnen reageren)
maak de scène levend
handelingen:
- bewegingen die je maakt
- leeft personage + zorgt voor actie op scène
taal:
- verbale communicatie
- manier van spreken hangt vast aan de rol
- inhoud van taal afstemmen op handelingen en taal
- emoties passen bij taal
handelingen + taal = inhoud aan scène geven
vragen die je kan stellen
handelingen:
- wat doe je? Welke handelingen voer je uit?
- Wat doet de dokter, de verkoper…?
Taal:
- Wat zeg je? Wat zegt de verkopen, de bakker…?
- Hoe zeg je het?
Wat leren de kleuters?
- Bekende handelingen en situaties uit de eigen belevingswereld weergeven.
- Spelen met taal- en stemgebruik in de scène
1.4 ruimte
wat is ruimte?
- Spelen in de ruimte of weergeven van de ruimte
- Acteren doe je in een speelvlak = ruimte die je krijgt om in te spelen
- Ruimte functioneel benutten = belangrijk element in acteren
- Scène speelt zich af op een bepaalde plaats
- Suggereer ruimte door enkele decorelementen en door spel
Spelen in de ruimte
- Ruimtebewustzijn = voorziene ruimte durven gebruiken
2