2.1 De ander en de Ontmoeting...........................................................2
2.2 Sociale ontwikkeling......................................................................2
Rekening houden met leeftijden:........................................................................2
2.2.1: 3-6j......................................................................................................... 3
2.2.2: 7-9j......................................................................................................... 3
2.2.3: 10-12j..................................................................................................... 3
2.2.4: Adolescenten >12 j................................................................................ 3
2.3 Sociale vaardigheden....................................................................3
2.3.1 Rolnemingsvaardigheden...........................................................................3
2.3.2 Zelfcontrolevaardigheden..........................................................................3
2.2.3 Probleemoplossingsvaardigheden..............................................................4
2.3.4 Vaardigheden tot samenspelen en werken................................................4
2.4 Sociale interacties.........................................................................4
2.4.1 Krachtgericht observeren...........................................................................5
2.4.2 Communicatie met kinderen en jongeren..................................................5
2.4.3 sociale interactie bevorderen.....................................................................5
Gordon methode............................................................................................... 5
Begeleiden van interacties tussen kinderen.....................................................6
Wij-gevoel bevorderen...................................................................................... 6
De Axenroos..................................................................................................... 6
2.5 Uitdagende situaties in een groep kinderen en jongeren.................8
2.5.1 Plagen........................................................................................................ 8
2.5.2 Rots en water............................................................................................. 8
2.5.3 Botsingen................................................................................................... 9
Soorten botsingen............................................................................................. 9
Pesten p75-82................................................................................................. 11
Aanpak van pesten......................................................................................... 12
2.5.5 Life Space Crisis Intervention...................................................................17
Stress bij kinderen en jongeren.....................................................................17
De werking van de conflictcyclus....................................................................18
Opbouw LSCI-gesprek..................................................................................... 19
Bronvermelding................................................................................19
1
,HS 2: Iedereen hoort erbij
2.1 De ander en de Ontmoeting
- Volwassenen hebben de taak om ontmoeting mogelijk te maken
Samenzijn is niet voldoende:
- Psychologisch: k&j ontwikkelen een relationeel referentiekader obv (verzorgings)
relaties. Gevolg: angst voor het vreemde ontw.
- Sociaal cultureel: bouwen aan identiteit door dat we bij groepen gaan behoren en
ons ermee gaan identificeren
Noodzakelijk om actief in te spelen in de begeleiding van k&j
- Basisprincipe ‘going meta’: In alles wat we doen leren we kdn denken over hun
denken
- Praten en verwoorden van
- Bij baby’s: verwoorden van emoties, praten over wat je denkt dat er aan de hand
is met de baby (ze ervaren zo de meerwaarde)
Filosoferen met oudere kinderen
- Groepsgebeuren: gedachten worden verwoord en uitgewisseld
- Confrontatie met gedacht, leren in gesprek gaan over andere perspectieven
- Praktische en geen theoretische bezigheid (is armoede oneerlijk, kunnen dieren
denken, wat is een goede relatie,..)
Socratische houding Houding van verwondering ‘ik weet dat ik
niets weet’
2.2 Sociale ontwikkeling
= Vermogen om vriendschappen aan te gaan, morele ontwikkeling, sociale
vaardigheden,..
Verbanden MeMoQ – Wat is opdracht van KO bij sociale ontw?
- Relaties actief ondersteunen
- Kdn aanmoedigen zich inlevend en respectvol op te stellen
- 1ste plek waar kdn verbanden aangaan met andere kdn
- leren delen, leren samen spelen, leren onderhandelen,..
Wanneer spreken we van vriendschap?
- Wanneer 2 kinderen een duidelijke voorkeur voor elkaar hebben gedurende een
langere periode
Rekening houden met leeftijden:
2
, 2.2.1: 3-6j
- Kunnen zich houden aan aantal vaste regels
- Besef goed en fout en schuldgevoelens ontstaan
2.2.2: 7-9j
- Vergelijken met anderen
- Competentie element in spel
- Speelt kind vaak alleen gerichte activiteit organiseren
2.2.3: 10-12j
- Meedoen aan pesterijen om zelf goed te liggen in groep
- Als bgl zorgen voor een gevarieerd aanbod van act waarbij versch. Talenten
worden aangesproken
- Laten samenwerken en binnen groep eigen rol laten opnemen
- Rol als begeleider = kleiner minders sturend, meer op afstand aanwezig
- Afwisselend zelf groepjes laten kiezen of zelf maken
2.2.4: Adolescenten >12 j
- Vrienden belangrijker dan ouders – losmakingsproces van de ouders
- Vaste thuis structuur biedt hen mogelijkheid om eigen identiteit op te nemen
Samenvatting
- Stimuleer samenspel
- Wissel samenstelling groepjes regelmatig
- Wees alert op uitsluiting en bespreek
- Zorg voor duidelijke regels en grenzen -> gedragsregels opstellen
2.3 Sociale vaardigheden
In alle groepen wordt er bij k&j gewerkt aan het aanleren en versterken van:
2.3.1 Rolnemingsvaardigheden
Identificeren: Perspectieven herkennen en benoemen
Discrimineren: kunnen oordelen of 2 perspectieven gelijk of verschillend zijn
Differentiëren: kunnen begrijpen dat meerdere personen in dezelfde of versch situaties
andere perspectieven aannemen
Vergelijken: gelijkenissen en verschillen tussen perspectieven verwoorden
Zich verplaatsen: perspectieven van anderen afleiden en verwoorden waarom anderen
bepaalde perspectieven hebben
Kinderen perspectief laten innemen = werken rond basisgevoelens en beginnen
herkennen en kunnen benoemen ervan. Volgende stap Differentiëren: kinderen
moeten zien waarin we verschillen
2.3.2 Zelfcontrolevaardigheden
- Aan groepsregels en afspraken houden
3