ANTIBIOTICA
Werking en eigenschappen van antibiotica:
- Antibacteriële middelen
- Antifungale middelen
- Antiparasitaire middelen
Hoofdstuk 1: inleidende begrippen
Ontdekt door A. Fleming
- Penicilline rond 1920
- Plaat met bacterie geïnfecteerd met een schimmel
→ Geen kolonies gevormd rond de schimmel
→ Schimmel produceert iets wat groei van bacterie laat afnemen
Antibiotica = “Een substantie van biologische, semisynthetische of synthetische oorsprong met een
selectieve inhiberende activiteit tegenover bacteriën”
- Waarom selectief inhiberend = selectief toxisch: enkel bacteriën gaan kapotmaken, niet de
menselijke cellen
Hoe kan stof de bacterie kapot maken en niet de menselijke cellen
- Verschillen tussen de soorten cellen
- Specificiteit van het doelwit
o Bacteriële cel
o Celwand → hierop inwerken, geen effect op menselijke cellen
- Hogere affiniteit geven voor bacteriële eiwit dan menselijke
- Selectieve opnamen
o Penetratievermogen
o Enkel door bacteriën opgenomen en niet/ minder door menselijke cellen
Hoe zit het dan met funghi en protozoa?
- Controle van fungale en protozoaire pathogenen is moeilijker omdat de verschillen tussen
deze eukaryoten en de gastheercellen kleiner zijn.
- Vele middelen tegen schimmels en protozoa zijn ook toxisch voor de gastheercellen.
Begrippen
Spectrum (eng / breed)
- Spectrum van antibioticum
- Welke bacteriën zijn gevoelig
- Breed spectrum → werkzaam tegen gram + en – stammen
- Eng spectrum → enkel tegen gram + of -; enkel tegen anaeroob of aeroob
,Bacteriostatisch vs bactericide
- Bacetricide = doden van bacteriën
- Bacteriostatisch = groei van bacteriën remmen, niet doden
→ werken even goed als bactericide: als bacterie niet kan groeien, gaat het immuunsysteem
de bacteriën kunnen elimineren
MIC/MBC/BPC
- MIC = minimale inhibitorische concentratie → minimale concentratie nodig om groei van
bacterie te gaan remmen
- MBC = minimale bactericide concentratie → medium uitplaten op agarplaat: antibioticum
sterk verdund dus geen groei inhiberen; kijken of je groei hebt → geen groei dan heb je
bactericide, wel groei dan bacteriostatisch
- Bij elk experiment: positieve (geen antibioticum) en negatieve (geen bacterie) controle
- MIC en MBC dicht bij elkaar → bactericide antibioticum; waarden ver uit elkaar eerder een
bacteriostatisch antibioticum dat enkel bij hoge concentraties bactericidische werking
vertoont
→ BPC = breekpunt concentratie
- Internationaal vastgelegd voor elk antibioticum
- Gekozen op basis van concentratie die in een patiënt bij normale dosis wordt bereikt
o Bacterie is gevoelig als het geremd wordt door de breekpunt concentratie
o Bacterie is resistent als het niet geremd wordt door de breekpunt concentratie
o Intermediair gevoelig: bacterie is enkel gevoelig aan concentratie die overeenkomt
met maximale dosis voor patiënt
Hoger dan aangeraden dosis ~ neveneffecten
Niet standaard toepassen
Enkel als het nodig is de dosis verhogen
- Grafiek
o X as: verschillende stammen met
verschillende MIC waarden
o 0,1 µg = BPC
Onder 0,1 µg = gevoelig
Boven 1 µg = resistent
Ertussen = intermediair
Antibiogram volgens diffusiemethode
- Gevoeligheid van bacterie voor verschillende antibiotica
- Petrischaal met agar bodem
- Bacteriën gelijkmatig uitplaten → overal groeien
- Erboven papieren strips die antibiotica bevatten
- Antibioticum diffundeert in agar bodem → rond strips = opklaringszone = hier kan bacterie
niet groeien
- Opklaringszone → bacterie is gevoelig, anders niet gevoelig
- Diameter van zones meten
, o Hoe verder van papieren strip, hoe lager antibiotica concentratie nodig is om te
werken
o Maat voor gevoeligheid
- Grafieken maken
o Standaardcurve met aantal bacterie stammen met gekende MIC waarden
o Diameter van zone uitzetten tov gekende MIC waarde (log) → rechte
o Gebruiken om van ongekende bacteriestam de MIC waarde te meten
E-test ~ Epsilon test
- Zelfde principe
- Agarose bodem op plaat → bacterie uitplaten
- Papierstrip met antibioticum, maar nu lange strip
o Verschillende antibiotica
o Verschillende concentraties
- Opklaringszone rond strip
- Voordeel: meteen MIC waarde aflezen
- Waar rand van opklaringszone bij de strip komt = MIC waarde
Synergie/antagonisme/additief effect
- Combinatie van antibiotica → sterker of beter effect tegen bacterie
- Opletten: sommige combinaties
o Synergie = verstreken
o Antagonisme = elkaar tegenwerken
- Antagonisten: 2 strips dichter bij elkaar brengen → aanwezigheid van ene verzwakt de
werking van de andere antibioticum
- Synergie
o Je verwacht 2 opklaringszones onafhankelijk van elkaar
o Je ziet 2 zones die gaan samenwerken
- Wiskundig
o A → 30% inhibitie
o B → 30% inhibitie
o Additief = geen synergie of antagonisme: je verwacht A + B = 60%
o Stel A + B = 100% → synergie
o Stel A + B = 20% → antagonisme
- Mbv microtiter plaat
o Verschillende concentraties van 2 antibiotica
o Geen synergie/ antagonisme → rechte
o Wel synergie → geen rechte, maar holle curve
o Wel antagonisme → geen rechte, maar bolle curve
,
Werking en eigenschappen van antibiotica:
- Antibacteriële middelen
- Antifungale middelen
- Antiparasitaire middelen
Hoofdstuk 1: inleidende begrippen
Ontdekt door A. Fleming
- Penicilline rond 1920
- Plaat met bacterie geïnfecteerd met een schimmel
→ Geen kolonies gevormd rond de schimmel
→ Schimmel produceert iets wat groei van bacterie laat afnemen
Antibiotica = “Een substantie van biologische, semisynthetische of synthetische oorsprong met een
selectieve inhiberende activiteit tegenover bacteriën”
- Waarom selectief inhiberend = selectief toxisch: enkel bacteriën gaan kapotmaken, niet de
menselijke cellen
Hoe kan stof de bacterie kapot maken en niet de menselijke cellen
- Verschillen tussen de soorten cellen
- Specificiteit van het doelwit
o Bacteriële cel
o Celwand → hierop inwerken, geen effect op menselijke cellen
- Hogere affiniteit geven voor bacteriële eiwit dan menselijke
- Selectieve opnamen
o Penetratievermogen
o Enkel door bacteriën opgenomen en niet/ minder door menselijke cellen
Hoe zit het dan met funghi en protozoa?
- Controle van fungale en protozoaire pathogenen is moeilijker omdat de verschillen tussen
deze eukaryoten en de gastheercellen kleiner zijn.
- Vele middelen tegen schimmels en protozoa zijn ook toxisch voor de gastheercellen.
Begrippen
Spectrum (eng / breed)
- Spectrum van antibioticum
- Welke bacteriën zijn gevoelig
- Breed spectrum → werkzaam tegen gram + en – stammen
- Eng spectrum → enkel tegen gram + of -; enkel tegen anaeroob of aeroob
,Bacteriostatisch vs bactericide
- Bacetricide = doden van bacteriën
- Bacteriostatisch = groei van bacteriën remmen, niet doden
→ werken even goed als bactericide: als bacterie niet kan groeien, gaat het immuunsysteem
de bacteriën kunnen elimineren
MIC/MBC/BPC
- MIC = minimale inhibitorische concentratie → minimale concentratie nodig om groei van
bacterie te gaan remmen
- MBC = minimale bactericide concentratie → medium uitplaten op agarplaat: antibioticum
sterk verdund dus geen groei inhiberen; kijken of je groei hebt → geen groei dan heb je
bactericide, wel groei dan bacteriostatisch
- Bij elk experiment: positieve (geen antibioticum) en negatieve (geen bacterie) controle
- MIC en MBC dicht bij elkaar → bactericide antibioticum; waarden ver uit elkaar eerder een
bacteriostatisch antibioticum dat enkel bij hoge concentraties bactericidische werking
vertoont
→ BPC = breekpunt concentratie
- Internationaal vastgelegd voor elk antibioticum
- Gekozen op basis van concentratie die in een patiënt bij normale dosis wordt bereikt
o Bacterie is gevoelig als het geremd wordt door de breekpunt concentratie
o Bacterie is resistent als het niet geremd wordt door de breekpunt concentratie
o Intermediair gevoelig: bacterie is enkel gevoelig aan concentratie die overeenkomt
met maximale dosis voor patiënt
Hoger dan aangeraden dosis ~ neveneffecten
Niet standaard toepassen
Enkel als het nodig is de dosis verhogen
- Grafiek
o X as: verschillende stammen met
verschillende MIC waarden
o 0,1 µg = BPC
Onder 0,1 µg = gevoelig
Boven 1 µg = resistent
Ertussen = intermediair
Antibiogram volgens diffusiemethode
- Gevoeligheid van bacterie voor verschillende antibiotica
- Petrischaal met agar bodem
- Bacteriën gelijkmatig uitplaten → overal groeien
- Erboven papieren strips die antibiotica bevatten
- Antibioticum diffundeert in agar bodem → rond strips = opklaringszone = hier kan bacterie
niet groeien
- Opklaringszone → bacterie is gevoelig, anders niet gevoelig
- Diameter van zones meten
, o Hoe verder van papieren strip, hoe lager antibiotica concentratie nodig is om te
werken
o Maat voor gevoeligheid
- Grafieken maken
o Standaardcurve met aantal bacterie stammen met gekende MIC waarden
o Diameter van zone uitzetten tov gekende MIC waarde (log) → rechte
o Gebruiken om van ongekende bacteriestam de MIC waarde te meten
E-test ~ Epsilon test
- Zelfde principe
- Agarose bodem op plaat → bacterie uitplaten
- Papierstrip met antibioticum, maar nu lange strip
o Verschillende antibiotica
o Verschillende concentraties
- Opklaringszone rond strip
- Voordeel: meteen MIC waarde aflezen
- Waar rand van opklaringszone bij de strip komt = MIC waarde
Synergie/antagonisme/additief effect
- Combinatie van antibiotica → sterker of beter effect tegen bacterie
- Opletten: sommige combinaties
o Synergie = verstreken
o Antagonisme = elkaar tegenwerken
- Antagonisten: 2 strips dichter bij elkaar brengen → aanwezigheid van ene verzwakt de
werking van de andere antibioticum
- Synergie
o Je verwacht 2 opklaringszones onafhankelijk van elkaar
o Je ziet 2 zones die gaan samenwerken
- Wiskundig
o A → 30% inhibitie
o B → 30% inhibitie
o Additief = geen synergie of antagonisme: je verwacht A + B = 60%
o Stel A + B = 100% → synergie
o Stel A + B = 20% → antagonisme
- Mbv microtiter plaat
o Verschillende concentraties van 2 antibiotica
o Geen synergie/ antagonisme → rechte
o Wel synergie → geen rechte, maar holle curve
o Wel antagonisme → geen rechte, maar bolle curve
,