Inhoudsopgave
1.2. Wat is bestuursrecht?.....................................................................................................................................3
1.3. Het belang en de plaats van het bestuursrecht.............................................................................................3
2.2. Twee uitgangspunten.....................................................................................................................................4
2.3. De structuur van de bestuursrechtelijke normstelling...................................................................................4
2.4. De Algemene wet bestuursrecht....................................................................................................................5
2.5. Het begrip besluit...........................................................................................................................................6
2.6. Openbaarheid van bestuur.............................................................................................................................6
3.2. Het openbaar bestuur....................................................................................................................................8
3.3. Het begrip bestuursorgaan............................................................................................................................8
3.4. Ambt, ambtsdrager, ambtenaar....................................................................................................................8
3.5. Centraal en decentraal bestuur......................................................................................................................9
4.2. Besluiten.......................................................................................................................................................11
4.4. Feitelijke handelingen...................................................................................................................................13
4.5. Verkrijging van bevoegdheden.....................................................................................................................13
4.6. Toezicht........................................................................................................................................................13
5.2. Geschreven en ongeschreven recht..............................................................................................................14
5.3. Toepasselijkheid van bestuursrechtelijke normen.......................................................................................14
5.4. Normen voor de voorbereiding van besluiten..............................................................................................15
5.5. Normen voor de inhoud van besluiten.........................................................................................................16
5.6. Normen voor de inrichting van besluiten.....................................................................................................18
5.7. Kennisgeving van besluiten..........................................................................................................................18
5.8. Grenzen aan het gebruik van privaatrecht...................................................................................................18
6.2. Handhaving langs drie sporen......................................................................................................................20
6.3. Handhaving van normen en normen voor handhaving...............................................................................28
6.4. Handhavingstoezicht....................................................................................................................................28
6.5. Sancties.........................................................................................................................................................29
6.7. De gedoogproblematiek...............................................................................................................................30
7.2. Het systeem van de rechtsbescherming.......................................................................................................32
7.3. Bezwaar........................................................................................................................................................33
7.4. Administratief beroep...................................................................................................................................34
7.5. Beroep bij de bestuursrechter......................................................................................................................34
7.6. De voorlopigevoorzieningsprocedure...........................................................................................................36
1
, 7.7. Rechtsbescherming door de burgerlijke rechter..........................................................................................37
7.8. Rechtsbescherming in internationaal verband............................................................................................38
7.9. Klachtrecht...................................................................................................................................................39
2
,Hoofdstuk 1: inleiding bestuursrecht
Arrest Weertse wurgslangen gaat over de bevoegdheid van ontheffingen. 2 personen
wilden graag beginnen met het houden van wurgslangen, wat in beginsel in strijd is met
een APV van de gemeente. De houders waren van mening dat dit niet in strijd is met de
APV, maar vragen veiligheidshalve toch een ontheffing aan. Het College van B&W
verleent de ontheffing echter wel met beperkingen. De beperkingen gingen over de duur
van het houden van wurgslangen en de hoeveelheid. De houders waren het hier niet mee
eens, omdat ze van mening waren dat ze niet eens een ontheffing aan hoefde te vragen,
omdat het geen wilde dieren zijn en bij ontsnapping gevaar vormen.
De uitspraak van de rechter is dat het een verboden wild dier is, dat bij ontspanning
gevaarlijk kan zijn. Hier speelt de beoordelingsvrijheid een rol, omdat het College van
B&W zelf kan bepalen welke beperkingen er opgelegd kunnen worden.
1.2. Wat is bestuursrecht?
Bestuursrecht heeft betrekking op het openbaar bestuur, op wat het openbaar bestuur
doet en op zijn relatie met de burgers. Tot het openbaar bestuur (hierna: bestuur)
behoren de besturen van gemeenten, provincies en waterschappen, de ministeries en
andere overheidsinstanties. Het bestuursrecht regelt: de organisatie, bevoegdheden,
normering, handhaving en rechtsbescherming.
Er zijn bijzondere en algemene delen in het bestuursrecht. Als iets gaat om een bepaald
onderwerp, bijvoorbeeld het omgevingsrecht, dat is dan bijzonder bestuursrecht. Daar
valt milieurecht, waterrecht en het ruimtelijk bestuursrecht onder.
1.3. Het belang en de plaats van het bestuursrecht
Dit rechtsgebied bestond een halve eeuw nog niet en is nog in volle ontwikkeling. Wel
heeft het respectievelijk een plek naast het privaatrecht en strafrecht. Het staatrecht en
bestuursrecht horen wel wat bij elkaar en lijkt wel wat op elkaar.
3
, Hoofdstuk 2: kenmerken van het bestuursrecht
2.2. Twee uitgangspunten
Het legaliteitsvereiste
De bevoegdheden van de bestuursorganen vloeien voort uit de wet. Zij mogen deze
bevoegdheden volgens de geldende wettelijke regels uitoefenen. De legaliteitseis houdt
in dat elk overheidsoptreden waarbij vrijheden of eigendommen van burgers worden
verminderd of beperkt, een wettelijke grondslag voor nodig is. Maar is dat ook nodig voor
subsidies? Sommige zijn van mening dat de ingreep van een subsidie aanvaard op het
moment dat de subsidie wordt aanvaard, echter zijn anderen van mening dat sommige
instanties niet zonder subsidies kunnen en het misschien niet eens zijn met de ingreep.
Art. 5:4
Specialiteitsbeginsel
De overheid behartigt het algemene belang, maar dit begrip is enorm breed en geeft niet
veel houvast qua specificaties overheidsbevoegdheden. Daarom worden er in wetten een
specifiek belang genoemd en beschrijven nauwkeurig de bevoegdheden betreft het
specifieke belang. Als dit er niet in zou staan zou de overheid zich altijd kunnen beroepen
op ‘het algemeen belang’, daarmee zouden ze dan ook slechte beslissingen kunnen
rechtvaardigen en dat is niet de bedoeling. Het specialiteitsbeginsel is dus dat het
overheidsorgaan alleen belangen mag behartigen waarvoor de wet of andere regeling
grondslag voor biedt, art. 3:4 lid 1 Awb.
2.3. De structuur van de bestuursrechtelijke normstelling
De bestuursrechtelijke regels kennen een hiërarchische opbouw, omdat er veel wetten,
regelingen en voorschriften zijn. Een lagere regeling mag niet in strijd zijn met een
hogere regeling. De meeste regelingen gelden voor een onbepaald aantal gevallen, maar
er zijn ook specifieke regelingen die wél gelden voor individuele gevallen, dit is het
verschil tussen besluiten en beschikkingen.
Ter verduidelijking: het Secundairverdragsrecht gaat om EU-richtlijnen en EU-
verordeningen, alle Nederlandse regelingen zijn daaraan ondergeschikt.
Het statuut zijn regelingen voor de verhoudingen tussen Nederland en andere landen van
het Nederlandse Koninkrijk zoals Aruba etc. Statuten bevatten dus net zoals de grondwet
veel organisatierecht waardoor het wordt gezien als een onderdeel van het staatsrecht en
minder tot het bestuursrecht.
4