Bijeenkomst 1
Een positieve beleving van ouderschap heeft een positieve invloed op opvoedgedrag. En als ouders
tevreden zijn over de opvoeding heeft dat een positieve invloed op hun eigen welzijn en dat van hun
kind. Verschillende opvoedprogramma’s zijn gebaseerd op deze theorieën:
- Gedragsgeoriënteerde opvoedprogramma’s zijn gebaseerd op de sociale leertheorie en
hebben als doel ouders basale gedragstechnieken bij te brengen zoals positieve
bekrachtiging, onderhandelen en alternatieven voor straf.
- In cognitief-gedragsmatige opvoedprogramma’s worden gedragsmatige strategieën
gecombineerd met cognitieve strategieën om ouders te helpen hun gedachtes over zichzelf
en hun kinderen te herstructureren.
- In programma’s gericht op de ouder-kindrelatie krijgen ouders vaardigheden aangereikt om
effectiever te luisteren naar en communiceren met hun kinderen.
- Programma’s gebaseerd op rationeel-emotieve therapie zijn gericht op het verminderen van
emotionele stress door irrationele gedachtes te bestrijden en rationele gedachtes te
bekrachtigen. Irrationeel is zonder logische redenen. Rationeel denken is meer kijken vanuit
de realiteit op jezelf en de omgeving.
- Multimodale opvoedprogramma’s bestaan uit een combinatie van theoretische
uitgangspunten en componenten.
Empowerment en zelfregie is een opvoedcompetentie en het zelfvertrouwen van ouders neemt toe.
Meer gebruik van positieve gedragsbeïnvloeding en de opvoedstress is afgenomen. De public health
benadering gaat het om de samenleving in zijn geheel. Public health kent vele successen: schoon
drinkwater, riolering, verbetering van arbeidsomstandigheden, geboorteplanning, bedreiging van
overgewicht voor de gezondheid, overmatig zoutgebruik en het nog steeds hoge percentage rokende
jongeren. De public health is gericht op de gehele populatie en gericht op preventiebenadering. De
risicogerichte benadering heeft de nadruk op de ondersteuning van ouders en jeugdigen met (een
verhoogde kans op het ontstaan van) problemen. Vanuit deze benadering richt
opvoedingsondersteuning zich uitsluitend op risicogroepen (gezinnen waarbij een grotere kans
bestaat dat problemen ontstaan) en gezinnen waarbij zich al problemen voordoen en waarbij erger
kan worden voorkomen.
De piramide van opvoedondersteuning
, *Hoe hoger je komt in het continuüm hoe meer het aanbod opvoedingsondersteuning is gericht op
de (relatief beperkte) groep gezinnen met problemen. Hoe lager je komt in het continuüm, hoe meer
het aanbod is gericht op alle ouders van alle kinderen met eenvoudige en alledaagse vragen over de
opvoeding.
A: Vrienden, kennissen, B: consultatiebureau, C: vrijwillig kader D: gespecialiseerd/ gedwongen setting
buren kinderopvang
Decentratie: vanaf ongeveer zes jaar kunnen kinderen decentreren, wat inhoudt dat ze rekening
kunnen houden met verschillende aspecten en invalshoeken. En niet alleen gericht zijn op 1 aspect.
Specifiek werkzame factoren dragen alleen bij aan de effectiviteit van een interventie bij een bepaald
probleem, een bepaalde doelgroep of een bepaalde interventie. Specifiek werkzame factoren:
- Groepsgerichte interventies; bij lichte opvoedvragen en problemen en/of wanneer de
problematiek zich leent om in een groep te bespreken en ouders baat hebben bij sociale
steun. Gericht op concrete doelen.
- Individuele interventies met frequente huisbezoeken; wanneer er sprake is van zwaardere
problemen of wanneer ouders hun vragen en problemen niet in een groep willen bespreken.
Afgestemd op aard, zwaarte en complexiteit probleem.
- In homevisiting programma’s is de inzet van getrainde paraprofessionals en
verpleegkundigen effectiever dan het inzetten van vrijwilligers. Gericht op empowerment en
activeren sociaal netwerk.