Hoofdstuk 4 Markttoetreding en marktstructuur
Belangrijke begrippen:
- Prijs: bedrag per stuk
- Afzet: aantal stuks verkopen / productie
- Opbrengsten: omzet = prijs x afzet
- Kosten: waarde van de opofferingen
- Winst = opbrengsten - kosten
Er zijn 2 soorten kosten, namelijk: constante- en variabele kosten.
● Constante kosten:
Deze kosten blijven gelijk als de productieomvang verandert. Zelfs heb je deze als je niets
produceert.
Voorbeelden:
- Huur marktkraam/winkel
- Afschrijving machine
- Verzekering van je auto
● Variabele kosten:
Deze kosten nemen toe als de productieomvang toeneemt.
Voorbeelden:
- Inkopen van grondstoffen
- Benzine voor de auto
- Meel voor brood
Formules:
- Gemiddelden: totaal / aantal
- Gemiddelde Variabele kosten (GVk): het totaal van de Variabele kosten gedeeld door het
aantal. GVk = TVk / Q (Q = aantal)
(De gemiddelde Variabele kosten blijven gelijk als de productie toeneemt.)
- De gemiddelde Constante kosten = Constante kosten / aantal
Dit getal daalt als de productie stijgt → Constante kosten gelijk / aantal (neemt toe)
- Totale variabele kosten = GVk x aantal
- Totale kosten = totale variabele kosten + constante kosten = GVk x aantal + constante kosten
, Vraag: Hoeveel moet de onderneming produceren/ verkopen om winst te gaan maken?
Break-evenpunt: Dat is de afzet waarbij de onderneming geen verlies meer maakt, maar ook nog
geen winst.
De opbrengsten zijn dan gelijk aan de kosten. Of ook de gemiddelde kosten zijn dan gelijk aan de
gemiddelde opbrengsten.
Wat heb je nodig?:
- Constante kosten
- Gemiddelde Variabele kosten (GVK) - soms zijn dat de inkoopkosten
- (verkoop)prijs
Break-evenpunt uitrekenen (dat kan op 2 manieren):
BEP = Constante kosten / (prijs - GVK)
of stel de totale opbrengsten gelijk aan de totale kosten.
↓
P x Q = GVK x Q (afzet) + constante kosten
Dekkingsbijdrage = prijs - Gemiddelde Variabele kosten
Dekkingsbijdrage = P - GVK
We gaan oliebollen verkopen.
- Huur marktkraam 100 euro (constante kosten)
- Inkoop per zak 1,50 euro (GVK)
- Verkoop per zak 3,50 euro (prijs)
BEP = 100/(3,50 - 1,50) = 100/2 = 50
Als de constante kosten stijgen → BEP omhoog
Als GVK stijgen → BEP omhoog
Als de prijs stijgt → BEP omlaag
De break-evenomzet bereken je door het break-evenpunt te vermenigvuldigen met de prijs (in
voorbeeld: 50 x 3,50 = 175)
Aanvulling
Terugverdientijd:
Tijd die nodig is om een investering terug te verdienen.
Voorbeeld:
Stel je neemt zonnepanelen (5000,00 euro). En hiermee spaar je aan elektriciteit 500 euro per jaar.
Dan is de terugverdientijd 5000/500 = 10 jaar
Dus je moet 10 jaar daar blijven wonen.
We kijken dan vooral naar de marktmacht van de aanbieder:
- Mate van concurrentie
- Mogelijkheid om zelf de prijs te bepalen
- Mogelijkheid om klanten aan je te binden
Belangrijke begrippen:
- Prijs: bedrag per stuk
- Afzet: aantal stuks verkopen / productie
- Opbrengsten: omzet = prijs x afzet
- Kosten: waarde van de opofferingen
- Winst = opbrengsten - kosten
Er zijn 2 soorten kosten, namelijk: constante- en variabele kosten.
● Constante kosten:
Deze kosten blijven gelijk als de productieomvang verandert. Zelfs heb je deze als je niets
produceert.
Voorbeelden:
- Huur marktkraam/winkel
- Afschrijving machine
- Verzekering van je auto
● Variabele kosten:
Deze kosten nemen toe als de productieomvang toeneemt.
Voorbeelden:
- Inkopen van grondstoffen
- Benzine voor de auto
- Meel voor brood
Formules:
- Gemiddelden: totaal / aantal
- Gemiddelde Variabele kosten (GVk): het totaal van de Variabele kosten gedeeld door het
aantal. GVk = TVk / Q (Q = aantal)
(De gemiddelde Variabele kosten blijven gelijk als de productie toeneemt.)
- De gemiddelde Constante kosten = Constante kosten / aantal
Dit getal daalt als de productie stijgt → Constante kosten gelijk / aantal (neemt toe)
- Totale variabele kosten = GVk x aantal
- Totale kosten = totale variabele kosten + constante kosten = GVk x aantal + constante kosten
, Vraag: Hoeveel moet de onderneming produceren/ verkopen om winst te gaan maken?
Break-evenpunt: Dat is de afzet waarbij de onderneming geen verlies meer maakt, maar ook nog
geen winst.
De opbrengsten zijn dan gelijk aan de kosten. Of ook de gemiddelde kosten zijn dan gelijk aan de
gemiddelde opbrengsten.
Wat heb je nodig?:
- Constante kosten
- Gemiddelde Variabele kosten (GVK) - soms zijn dat de inkoopkosten
- (verkoop)prijs
Break-evenpunt uitrekenen (dat kan op 2 manieren):
BEP = Constante kosten / (prijs - GVK)
of stel de totale opbrengsten gelijk aan de totale kosten.
↓
P x Q = GVK x Q (afzet) + constante kosten
Dekkingsbijdrage = prijs - Gemiddelde Variabele kosten
Dekkingsbijdrage = P - GVK
We gaan oliebollen verkopen.
- Huur marktkraam 100 euro (constante kosten)
- Inkoop per zak 1,50 euro (GVK)
- Verkoop per zak 3,50 euro (prijs)
BEP = 100/(3,50 - 1,50) = 100/2 = 50
Als de constante kosten stijgen → BEP omhoog
Als GVK stijgen → BEP omhoog
Als de prijs stijgt → BEP omlaag
De break-evenomzet bereken je door het break-evenpunt te vermenigvuldigen met de prijs (in
voorbeeld: 50 x 3,50 = 175)
Aanvulling
Terugverdientijd:
Tijd die nodig is om een investering terug te verdienen.
Voorbeeld:
Stel je neemt zonnepanelen (5000,00 euro). En hiermee spaar je aan elektriciteit 500 euro per jaar.
Dan is de terugverdientijd 5000/500 = 10 jaar
Dus je moet 10 jaar daar blijven wonen.
We kijken dan vooral naar de marktmacht van de aanbieder:
- Mate van concurrentie
- Mogelijkheid om zelf de prijs te bepalen
- Mogelijkheid om klanten aan je te binden