Samenvatting Celfysiologie;
Deel 1 algemene en celfysiologie:
Total body weight --> 60% = bodywater
Intracellulair fluid, in de cellen= 2/3
Extracellulair fluid, buiten cellen = 1/3 met 1/3 bloedplasma + 2/3 interstitieel (tss cellen)
Niet alle lichaamscompartimenten hebben zelfde vochtsamenstelling:
Vb: hersens; 80-85% = nadenken, veel vocht, eiwitten, ionen.
Vb: Bloed; 50% , helft cellen en helft vocht MAAR vocht in RBC niet meegerekend, dan meer 50%.
--> Kinderen en pasgeborden, grotere waterinhoud = verliezen meer water door ^ opp/volume
inhoud = Meer vet, ze drogen dus sneller uit.
----------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------
Na nr buiten en K nr binnen
Maaglumen meer H+ nr binnen;
Milli-equivalenten per liter= Molaire concentratie x abs waarde vd valentie(# mogelijk bindende
atomen)
=In de compartimenten evenveel pos als neg ionen, vakjes zijn gelijke hoogte= macroscopische
elektronneuraliteit.
/Bloedvatwand capillairen/ /celmembraan/
BP: bevat eiwitten ICV: Meer cl- intracell, de andere ionen werden
ISTIT: Geen eiwitten in diezelfde cl- noemer ondergebracht
= Intracellulair is het negatiever dan extracellulair
, Membraantransport:
Niet alle substanties kunnen door plasmamembraan:
Enkel kleine niet geladen of polariteit geladen moleculen. Maar geen netto lading.
WEL: co2, n2, o2, ethanol
HALF: water en ureum
NIET; glucose, fructose, ionen, ATP, aminozuren, proteïnen, nucleïnezuren
Opl? Gespecialiseerde eiwitten
1) Diffusie; passief transport:
~Dm diffusieconstante= medium
~concentratieverschil (hoog nr laag)
Eerste wet van fick: deltaC/delta x = lineaire concentratiegradiënt + min voor nr hoog nr lage c
Hoe lagere C hoe moeilijker, hoe dikker membraan, hoe moeilijker
Permeabiliteitconstante vd membraan + min positieve flux richt 🔽c
Hoe grote M/ atom, hoe trage difuse.
Deel 1 algemene en celfysiologie:
Total body weight --> 60% = bodywater
Intracellulair fluid, in de cellen= 2/3
Extracellulair fluid, buiten cellen = 1/3 met 1/3 bloedplasma + 2/3 interstitieel (tss cellen)
Niet alle lichaamscompartimenten hebben zelfde vochtsamenstelling:
Vb: hersens; 80-85% = nadenken, veel vocht, eiwitten, ionen.
Vb: Bloed; 50% , helft cellen en helft vocht MAAR vocht in RBC niet meegerekend, dan meer 50%.
--> Kinderen en pasgeborden, grotere waterinhoud = verliezen meer water door ^ opp/volume
inhoud = Meer vet, ze drogen dus sneller uit.
----------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------------
Na nr buiten en K nr binnen
Maaglumen meer H+ nr binnen;
Milli-equivalenten per liter= Molaire concentratie x abs waarde vd valentie(# mogelijk bindende
atomen)
=In de compartimenten evenveel pos als neg ionen, vakjes zijn gelijke hoogte= macroscopische
elektronneuraliteit.
/Bloedvatwand capillairen/ /celmembraan/
BP: bevat eiwitten ICV: Meer cl- intracell, de andere ionen werden
ISTIT: Geen eiwitten in diezelfde cl- noemer ondergebracht
= Intracellulair is het negatiever dan extracellulair
, Membraantransport:
Niet alle substanties kunnen door plasmamembraan:
Enkel kleine niet geladen of polariteit geladen moleculen. Maar geen netto lading.
WEL: co2, n2, o2, ethanol
HALF: water en ureum
NIET; glucose, fructose, ionen, ATP, aminozuren, proteïnen, nucleïnezuren
Opl? Gespecialiseerde eiwitten
1) Diffusie; passief transport:
~Dm diffusieconstante= medium
~concentratieverschil (hoog nr laag)
Eerste wet van fick: deltaC/delta x = lineaire concentratiegradiënt + min voor nr hoog nr lage c
Hoe lagere C hoe moeilijker, hoe dikker membraan, hoe moeilijker
Permeabiliteitconstante vd membraan + min positieve flux richt 🔽c
Hoe grote M/ atom, hoe trage difuse.