PUBLIEKRECHT
INLEIDING
Recht mensenwerk
geheel van algemene (on)geschreven regels voor uiterlijke gedragen
GEEN gedachten
afgedwongen respect door overheid (=overheidsgezag)
Publiekrecht relatie tussen overheid(sorganen)/staat en burgers
rechtstakken:
grondwettelijk recht
administratief recht
fiscaal recht
strafrecht
strafprocesrecht
Privaatrecht relatie tussen burgers onderling
Apatride GEEN nationaliteit
ALTIJD een vreemdeling
Bipatride MEERDERE nationaliteiten
Objectief recht geheel van rechtsregels die de maatschappij ordenen
(gebods-/verbodsregels)
ordenen en beschermen belangen van de mensen
Subjectief recht recht gezien vanuit standpunt van de individuen
aanspraak die een individu heeft aan norm van objectief recht
rechtsverplichting, om iets wel of niet te doen
Rechtsobject dieren
Rechtssubject 2 soorten:
natuurlijk persoon
mensen van vlees en bloed
rechtspersoon
verenigingen of vennootschappen
Intern recht indeling:
privaatrecht
relatie tussen burgers onderling
publiekrecht
relatie tussen overheid/staat en burger
1
, internationaal recht
internationaal privaatrecht
o ENKEL verwijzingsregels
internationaal publiekrecht (=volkenrecht)
o inrichting en werking van internationale instellingen
Grondwet fundamentele rechtsregels
beperkt macht van de Koning
HOOGSTE wet
EERSTE GRONDWET 7 februari 1831
grondwetsherziening procedure
Algemeen meervoudig stemrecht 1893
Algemeen enkelvoudig stemrecht 1921
Artikel 30 GW gebruik van gesproken talen (in België) is vrij
2
,DEEL 1 – DE ALGEMENE BEGINSELEN VAN HET
BELGISCH PUBLIEKRECHT
HOOFDSTUK 1 - DE GRONDWET: BASIS VAN HET BELGISCH
PUBLIEKRECHT
België WAS deel van Verenigd Koninkrijk der Nederlanden, onder Willem I tussen 1815 en
1830
MAAR in augustus 1830 revolutie, namelijk “De Belgische Omwenteling”
Revolutionairen vormden VOORLOPIGE Belgische regering/Voorlopig Bewind
4 oktober 1830 onafhankelijkheid van België (maken van parlement + grondwet)
10 november 1830 Parlement werd verkozen, namelijk het “Nationaal Congres”
7 februari 1831 afkondiging (EERSTE) Belgische Grondwet
mondelinge/schriftelijke regelt
hoofdlijnen van staatsstructuur in rechtsregels
MET juridische afdwingbaarheid
Grondwet geheel van fundamentele rechtsregels die:
werking en organisatie van instellingen bepalen
verhouding bepalen tussen instellingen en burger(s)
verhoudingen bepalen tussen instellingen onderling
HOE wijzigen?
specifieke procedureregels
HOOFDSTUK 2 – DE KENMERKEN VAN DE BELGISCHE STAAT
BELANGRIJKSTE keuzes die Nationaal Congres maakte zijn kenmerken van staatsbestel:
scheiding der machten
Montesquieu
NIET uitdrukkelijk in Grondwet
verdelen van macht in 3 instanties
o wetgevende macht ( artikel 36 GW)
WIE?
parlement (= 2 kamers + Senaat + Kamer van
Volksvertegenwoordigers) + koning
BEVOEGDHEID?
maken van wetten
uitvoerende macht controleren
o uitvoerende macht ( artikel 37 GW)
WIE?
regering (= ministers + staatssecretarissen) + koning
BEVOEGDHEID?
besturen/leiden het land
uitvoeren van wetten
naleven van wetten
3
, o rechterlijke macht ( artikel 40 GW)
WIE?
hoven en rechtbanken
BEVOEGDHEID?
uitspraak doen over geschillen
controle op wettigheid van daden van uitvoerende macht
beperken en controleren elkaar ( EVENWICHT tussen machten)
o ambtenaren 4e macht
monarchie
hoofd van monarchie koning (=erfelijk)
≠ hoofd van republiek president (=verkiezen)
werkelijke POLITIEKE macht
HOE afzetten? impeachement
Koning artikel 91 GW ( EERST eed afleggen voordat men op troon komt)
o staatshoofd
o beperkte persoonlijkheid
o onverantwoordelijk
o onbekwaam
o uitvoeren van bevoegdheden MET ministers
o bevoegd om te luisteren/adviseren/regering aan te sporen
representatieve en parlementaire democratie
EERSTE verkiezingen van parlement in 1831 cijnkiesstelsel
stemrecht voor burgers die
bepaalde cijns/belastingen
betaalden
in 1893 algemeen meervoudig stemrecht
ELKE man heeft 1 stem, MAAR degene met bepaald diploma of grote
som belastingen betalen krijgen 2 of 3 stemmen
leeftijdgrens om te stemmen was 25 jaar
GEEN stem voor vrouwen
in 1893 stemplicht/opkomstplicht
in 1921 algemeen enkelvoudig stemrecht
ELKE man heeft 1 stem
leeftijdgrens om te stemmen werd 21 jaar
in 1948 stemrecht voor vrouwen
vanaf 28 juli 1981 ELKE burger (man/vrouw) vanaf 18 jaar heeft 1 stem
4
INLEIDING
Recht mensenwerk
geheel van algemene (on)geschreven regels voor uiterlijke gedragen
GEEN gedachten
afgedwongen respect door overheid (=overheidsgezag)
Publiekrecht relatie tussen overheid(sorganen)/staat en burgers
rechtstakken:
grondwettelijk recht
administratief recht
fiscaal recht
strafrecht
strafprocesrecht
Privaatrecht relatie tussen burgers onderling
Apatride GEEN nationaliteit
ALTIJD een vreemdeling
Bipatride MEERDERE nationaliteiten
Objectief recht geheel van rechtsregels die de maatschappij ordenen
(gebods-/verbodsregels)
ordenen en beschermen belangen van de mensen
Subjectief recht recht gezien vanuit standpunt van de individuen
aanspraak die een individu heeft aan norm van objectief recht
rechtsverplichting, om iets wel of niet te doen
Rechtsobject dieren
Rechtssubject 2 soorten:
natuurlijk persoon
mensen van vlees en bloed
rechtspersoon
verenigingen of vennootschappen
Intern recht indeling:
privaatrecht
relatie tussen burgers onderling
publiekrecht
relatie tussen overheid/staat en burger
1
, internationaal recht
internationaal privaatrecht
o ENKEL verwijzingsregels
internationaal publiekrecht (=volkenrecht)
o inrichting en werking van internationale instellingen
Grondwet fundamentele rechtsregels
beperkt macht van de Koning
HOOGSTE wet
EERSTE GRONDWET 7 februari 1831
grondwetsherziening procedure
Algemeen meervoudig stemrecht 1893
Algemeen enkelvoudig stemrecht 1921
Artikel 30 GW gebruik van gesproken talen (in België) is vrij
2
,DEEL 1 – DE ALGEMENE BEGINSELEN VAN HET
BELGISCH PUBLIEKRECHT
HOOFDSTUK 1 - DE GRONDWET: BASIS VAN HET BELGISCH
PUBLIEKRECHT
België WAS deel van Verenigd Koninkrijk der Nederlanden, onder Willem I tussen 1815 en
1830
MAAR in augustus 1830 revolutie, namelijk “De Belgische Omwenteling”
Revolutionairen vormden VOORLOPIGE Belgische regering/Voorlopig Bewind
4 oktober 1830 onafhankelijkheid van België (maken van parlement + grondwet)
10 november 1830 Parlement werd verkozen, namelijk het “Nationaal Congres”
7 februari 1831 afkondiging (EERSTE) Belgische Grondwet
mondelinge/schriftelijke regelt
hoofdlijnen van staatsstructuur in rechtsregels
MET juridische afdwingbaarheid
Grondwet geheel van fundamentele rechtsregels die:
werking en organisatie van instellingen bepalen
verhouding bepalen tussen instellingen en burger(s)
verhoudingen bepalen tussen instellingen onderling
HOE wijzigen?
specifieke procedureregels
HOOFDSTUK 2 – DE KENMERKEN VAN DE BELGISCHE STAAT
BELANGRIJKSTE keuzes die Nationaal Congres maakte zijn kenmerken van staatsbestel:
scheiding der machten
Montesquieu
NIET uitdrukkelijk in Grondwet
verdelen van macht in 3 instanties
o wetgevende macht ( artikel 36 GW)
WIE?
parlement (= 2 kamers + Senaat + Kamer van
Volksvertegenwoordigers) + koning
BEVOEGDHEID?
maken van wetten
uitvoerende macht controleren
o uitvoerende macht ( artikel 37 GW)
WIE?
regering (= ministers + staatssecretarissen) + koning
BEVOEGDHEID?
besturen/leiden het land
uitvoeren van wetten
naleven van wetten
3
, o rechterlijke macht ( artikel 40 GW)
WIE?
hoven en rechtbanken
BEVOEGDHEID?
uitspraak doen over geschillen
controle op wettigheid van daden van uitvoerende macht
beperken en controleren elkaar ( EVENWICHT tussen machten)
o ambtenaren 4e macht
monarchie
hoofd van monarchie koning (=erfelijk)
≠ hoofd van republiek president (=verkiezen)
werkelijke POLITIEKE macht
HOE afzetten? impeachement
Koning artikel 91 GW ( EERST eed afleggen voordat men op troon komt)
o staatshoofd
o beperkte persoonlijkheid
o onverantwoordelijk
o onbekwaam
o uitvoeren van bevoegdheden MET ministers
o bevoegd om te luisteren/adviseren/regering aan te sporen
representatieve en parlementaire democratie
EERSTE verkiezingen van parlement in 1831 cijnkiesstelsel
stemrecht voor burgers die
bepaalde cijns/belastingen
betaalden
in 1893 algemeen meervoudig stemrecht
ELKE man heeft 1 stem, MAAR degene met bepaald diploma of grote
som belastingen betalen krijgen 2 of 3 stemmen
leeftijdgrens om te stemmen was 25 jaar
GEEN stem voor vrouwen
in 1893 stemplicht/opkomstplicht
in 1921 algemeen enkelvoudig stemrecht
ELKE man heeft 1 stem
leeftijdgrens om te stemmen werd 21 jaar
in 1948 stemrecht voor vrouwen
vanaf 28 juli 1981 ELKE burger (man/vrouw) vanaf 18 jaar heeft 1 stem
4