Hoofdstuk 6: Kringlopen
Opdracht: 1-8.
Opdracht 1:
A) Bruto toegevoegde waarde = marktprijs - aankoopprijs
Bruto toegevoegde waarde = 1 300 000 - 400 000 - 200 000
Bruto toegevoegde waarde = 700 000
B) Netto toegevoegde waarde = bruto toegevoegde waarde - afschrijvingen
Netto toegevoegde waarde = 700 000 - 310 000
Netto toegevoegde waarde = 390 000
Opdracht 2:
Nominaal bbp = het bbp in periode t waarbij de goederen en diensten die geproduceerd zijn,
gewaardeerd worden aan de hand van de lopende prijzen in die periode t.
a) het bbp in constante prijzen constant blijft
b) het bbp in lopende prijzen daalt
c) het bbp in constante prijzen daalt
d) het bbp in constante prijzen stijgt
Jaarx: nominaal bbpx = 1000 px = 10
Jaarx+1: nominaal bbpx+1 stijgt met 50%
→ nominaal bbpx+1 = 1000 + (50% * 1000)
= 1500
px+1 stijgt met 100%
→ px+1 = 10 + (100% * 10)
= 20
→reëel bbpx+1 = 1500/20 * 10 = 750
→ Het bbp in constante prijzen daalt want 750 < 1000
Opdracht 3:
Goed naar legendes kijken in tabel.
Evt. examenvraag.
a) Welke bewering is juist?
A. Het nominale bbp is sterker gestegen dan het reële bbp in 2015 tov
2014.
B. Het reële bbp is sterker gestegen dan het nominale bbp in 2015 tov 2014.
, Nominaal bbp: wordt gewaardeerd aan de hand van de lopende
prijzen.
Reëel bbp: wordt gewaardeerd aan de hand van constante prijzen.
Procentuele verandering van nominaal bbp:
𝛥𝐿𝑜𝑝𝑒𝑛𝑑𝑒 𝑝𝑟𝑖𝑗𝑧𝑒𝑛 410−400.6
∗ 100 = ∗ 100 = 2.34%
𝐿𝑜𝑝𝑒𝑛𝑑𝑒 𝑝𝑟𝑖𝑗𝑧𝑒𝑛 2014 400.6
Procentuele verandering van reëel bbp:
1.4% - 1.3% = 0.1%
b) Welke bewering is juist?
A. 2015 kende een inflatie van 1.10%
B. 2015 kende een inflatie van 0.93%
410.0 − (400.6 + (1.4% ∗ 400.6)
= 0.93%
400.6 + (1.4% ∗ 400.6)
Opdracht 4:
Oude examenvraag.
A. Het reële bbp van Portugal is gestegen met 1.7% in 2015 ten opzichte van 2014.
Juist
B. in 2014 was de werkloosheidsgraad van alle opgenomen landen het hoogst in
Spanje.
Fout: Griekenland
C. In Italië werden in 2014 meer goederen en diensten geproduceerd dan in 2013.
Fout: 0.4% minder
D. De stijging van het prijspeil voor Frankrijk in 2015 ten opzichte van 2014 bedraagt
0.1%.
Juist
Opdracht 5:
C = 0.6Y + 210
Noemen we de ... consumptiefunctie
Iaut = 80
‘Autonoom’ betekent ...
Bij evenwichtsinkomen is Y = EV
Y = C + Iaut
= 0.6Y + 10 mld + 80 mld
(1.0.6)Y = 290 mld
Ye = 0.6*Ye + 210 + 80
Ye - 0.6Ye = 290
0.4 * Ye : 290
Ye = (290/0.4) = 725 mld = EV
, Opdracht 6:
C = C * Y + Caut
Iaut
EV = C * Ye + Caut + Iaut
a) Bestedingsevenwicht:
7 miljoen * 40 000 = 280 mld eur
evenwichtsinkomen:
Ye = 0.75Ye + 20 + 20
Ye = 0.75Ye + 40
0.25Ye = 40
Ye = (40/0.25) = 160 mld EUR
b) Tekort: bestedingsevenwicht - evenwichtsinkomen
280 mld EUR -160 mld eur = 120 mld EUR
Werklozen: 120 mld EUR / 40 000
= 3 000 000 werklozen
Economische situatie:
3 000 000 werklozen = onderbesteding
Opdracht 7:
S=Y-C
A. Bij het evenwichtsinkomen bedragen de besparingen 25 mld EUR.
Ye = EV
Ye = C + I
Ye = 0.8Ye + 20 + 20
Ye - 0.8Ye= 40
0.2 Ye = 40
Ye = 200 mld EUR
C = 0.8Ye + 20
C = 0.8*200 +20
C = 180 mld EUR
S=Y-C
S = 200 mld - 180 mld
S = 20 mld EUR
20 mld wordt er bespaard → FOUT
B. Als de autonome investeringen verhogen van 20 MLD EUR tot 30 mld EUR, neemt
bij het nieuwe evenwichtsinkomen de consumptie toe met 40 mld EUR.
Ye = EV
Ye = C + I
Ye = 0.8Ye + 20 + 30
Opdracht: 1-8.
Opdracht 1:
A) Bruto toegevoegde waarde = marktprijs - aankoopprijs
Bruto toegevoegde waarde = 1 300 000 - 400 000 - 200 000
Bruto toegevoegde waarde = 700 000
B) Netto toegevoegde waarde = bruto toegevoegde waarde - afschrijvingen
Netto toegevoegde waarde = 700 000 - 310 000
Netto toegevoegde waarde = 390 000
Opdracht 2:
Nominaal bbp = het bbp in periode t waarbij de goederen en diensten die geproduceerd zijn,
gewaardeerd worden aan de hand van de lopende prijzen in die periode t.
a) het bbp in constante prijzen constant blijft
b) het bbp in lopende prijzen daalt
c) het bbp in constante prijzen daalt
d) het bbp in constante prijzen stijgt
Jaarx: nominaal bbpx = 1000 px = 10
Jaarx+1: nominaal bbpx+1 stijgt met 50%
→ nominaal bbpx+1 = 1000 + (50% * 1000)
= 1500
px+1 stijgt met 100%
→ px+1 = 10 + (100% * 10)
= 20
→reëel bbpx+1 = 1500/20 * 10 = 750
→ Het bbp in constante prijzen daalt want 750 < 1000
Opdracht 3:
Goed naar legendes kijken in tabel.
Evt. examenvraag.
a) Welke bewering is juist?
A. Het nominale bbp is sterker gestegen dan het reële bbp in 2015 tov
2014.
B. Het reële bbp is sterker gestegen dan het nominale bbp in 2015 tov 2014.
, Nominaal bbp: wordt gewaardeerd aan de hand van de lopende
prijzen.
Reëel bbp: wordt gewaardeerd aan de hand van constante prijzen.
Procentuele verandering van nominaal bbp:
𝛥𝐿𝑜𝑝𝑒𝑛𝑑𝑒 𝑝𝑟𝑖𝑗𝑧𝑒𝑛 410−400.6
∗ 100 = ∗ 100 = 2.34%
𝐿𝑜𝑝𝑒𝑛𝑑𝑒 𝑝𝑟𝑖𝑗𝑧𝑒𝑛 2014 400.6
Procentuele verandering van reëel bbp:
1.4% - 1.3% = 0.1%
b) Welke bewering is juist?
A. 2015 kende een inflatie van 1.10%
B. 2015 kende een inflatie van 0.93%
410.0 − (400.6 + (1.4% ∗ 400.6)
= 0.93%
400.6 + (1.4% ∗ 400.6)
Opdracht 4:
Oude examenvraag.
A. Het reële bbp van Portugal is gestegen met 1.7% in 2015 ten opzichte van 2014.
Juist
B. in 2014 was de werkloosheidsgraad van alle opgenomen landen het hoogst in
Spanje.
Fout: Griekenland
C. In Italië werden in 2014 meer goederen en diensten geproduceerd dan in 2013.
Fout: 0.4% minder
D. De stijging van het prijspeil voor Frankrijk in 2015 ten opzichte van 2014 bedraagt
0.1%.
Juist
Opdracht 5:
C = 0.6Y + 210
Noemen we de ... consumptiefunctie
Iaut = 80
‘Autonoom’ betekent ...
Bij evenwichtsinkomen is Y = EV
Y = C + Iaut
= 0.6Y + 10 mld + 80 mld
(1.0.6)Y = 290 mld
Ye = 0.6*Ye + 210 + 80
Ye - 0.6Ye = 290
0.4 * Ye : 290
Ye = (290/0.4) = 725 mld = EV
, Opdracht 6:
C = C * Y + Caut
Iaut
EV = C * Ye + Caut + Iaut
a) Bestedingsevenwicht:
7 miljoen * 40 000 = 280 mld eur
evenwichtsinkomen:
Ye = 0.75Ye + 20 + 20
Ye = 0.75Ye + 40
0.25Ye = 40
Ye = (40/0.25) = 160 mld EUR
b) Tekort: bestedingsevenwicht - evenwichtsinkomen
280 mld EUR -160 mld eur = 120 mld EUR
Werklozen: 120 mld EUR / 40 000
= 3 000 000 werklozen
Economische situatie:
3 000 000 werklozen = onderbesteding
Opdracht 7:
S=Y-C
A. Bij het evenwichtsinkomen bedragen de besparingen 25 mld EUR.
Ye = EV
Ye = C + I
Ye = 0.8Ye + 20 + 20
Ye - 0.8Ye= 40
0.2 Ye = 40
Ye = 200 mld EUR
C = 0.8Ye + 20
C = 0.8*200 +20
C = 180 mld EUR
S=Y-C
S = 200 mld - 180 mld
S = 20 mld EUR
20 mld wordt er bespaard → FOUT
B. Als de autonome investeringen verhogen van 20 MLD EUR tot 30 mld EUR, neemt
bij het nieuwe evenwichtsinkomen de consumptie toe met 40 mld EUR.
Ye = EV
Ye = C + I
Ye = 0.8Ye + 20 + 30