17. Aandoeningen van de farynx
17.1. Onderzoeksmethoden – p.310
17.1.1. Klinisch onderzoek
Nasofarynx
Anesthesie: de verdoving voor uw operatie.
Congestie: ophoping/verstopping. Toeneming van bloedvolume in de bloedvaten.
Tonsillen
Detritus: dood organisch materiaal dat nog enige weefselstructuur bezit..
Induratie: Onderhuidse verharding van het weefsel.
Zacht gehemelte (palatum molle)
Peritonsillair abces: keelabces. kan ontstaan doordat bacteriën zich achter een
ontstoken keelamandel ophopen. Ontstoken amandelen.
17.1.2. Beeldvormende diagnostiek
17.2. Aandoeningen van de nasofarynx – p.312
17.2.1. Congenitale afwijkingen
Cysten
Notochord: chorda dorsalis. flexibel, staafvormig orgaan van embryo's van
chordadieren (Chordata) waaruit bij de meeste gewervelde dieren zich de
tussenwervelschijven ontwikkelen.
Zakje van Rathke: kan een goedaardige cyste vormen, die met een vloeistof is gevuld.
Kan ervoor zorgen dat het gezichtsvermogen minder wordt, dat de hypofyse het niet
meer doet en kan hoofdpijn veroorzaken.
Retentiecyste: cyste ontstaan door afsluiting v/h afvoerkanaal van een klier.
17.2.2. Ontstekingen
Adenoïditis en adenoïdhyperplasie
Lymfoom: kanker in de cellen v/d lymfevloeistof.
Klinische representatie
Lymfadenopathie: vergrote lymfeklieren hebben.
Stase: stuwing of stilstaan van lichaamsvochten (bv. bloed).
Halitosis: voortdurend last van slechte adem.
Slaapapneusyndroom: niet ademen tijdens de slaap. => overmatige slaperigheid,
hoofdpijn, doorslaapklachten, vermoeidheid, concentratieproblemen en/of
prikkelbaarheid.
Diagnose
Allergologisch: medisch specialisme dat zich met allergie bezighoudt.
Gastroscopie: onderzoeken we de slokdarm, maag en duodenum (twaalfvingerige
darm) als u last hebt van misselijkheid, braken, maagpijn en branderigheid achter het
borstbeen. Wordt gedaan via de keel en zo in de slokdarm.
Behandeling
Decongestivum: een middel dat gezwollen slijmvliezen doet slinken.
Analgeticum: pijnstillers.
Antipyretica: koortsverlagende middelen.
Regurgitatie: vloeit de maaginhoud terug tot in of buiten de mond. Oprispingen.
Curettage: schraapt met lepeltje slijmvlies er af.
17.2.3. Benigne tumoren