BEELDVORMING
1. PRODUCTIE VAN X-STRALEN
1.1. DE RÖNTGENBUIS
Röntgenbuis: anode (+) en kathode (-)
Anode op hogere potentiaal dan kathode => hoogspanning (kV)
Ter hoogte van kathode: filament
1.2. PRODUCTIE VAN X-STRALEN
STAP 1 Door filament loopt grote stroom => filament verhit => vrijstelling e -
STAP 2 e- verplaatsen richting hoge potentiaal (anode) en botsen op wolfraam
STAP 3 Sterk positief geladen atoomkern van wolfraam => e- buigen af van oorspronkelijk traject => EM energie
wordt vrijgesteld (Bremsstrahlung)
OPM: atoomkern neemt weinig plaats in => kans dat e- afbuigt is klein!
OPM: energie bereikt patiënt nog niet! (verklaring: omhulsel rond röntgenbuis)
STAP 4 e- botsen met e- van anode materiaal => schieten weg uit energieniveau => bindingsenergie vrijgesteld
2. TECHNISCHE PARAMETERS
2.1. BUISSTROOM (mA)
= stroom van elektronen die van filament naar anode lopen
Belangrijk voor stralingsdosis patiënt
Wijzigt spectrum niet, maar oppervlakte onder curve wel!
DUS hogere mA => maximale en gemiddelde energie van spectrum blijft hetzelfde, maar
wel meer dosis
2.2. HOOGSPANNINGSWAARDE ( kV)
Belangrijk voor versnelling van e- van kathode naar anode: hoe groter, hoe meer energie
(-) röntgenenergie (max en gem) stijgt evenredig met kV én totale oppervlakte onder curve
stijgt
(+) hoge kV dringt makkelijker in materiaal binnen
1
,2.3. ANODE MATERIAAL
Meestal wolfraam
Soms molubdeen of rhodium: voor laag-energetische toepassingen (vb. mammografie)
2.4. FILTERLAAG
Vaak aluminium of koper
Doel: houdt laagste energieën tegen (lage energie draagt bij tot huiddosis, maar geeft
geen beeld!)
Afbeelding: A = zonder filter, B = met filter
2.5. AFSTAND
Hoe dichter bij röntgenbuis, hoe meer dosis (kwadratisch verband!)
2.6. EXPOSIETIJD
Zo kort mogelijk (scherper beeld + lagere dosis)
D mA s mAs-waarde = buisstroom exposietijd
3. EIGENSCHAPPEN VAN X-STRALEN
Elektromagnetische stralen
Massaloos
Hoog-energetisch: ioniserend => zorgen voor excitaties en ionisaties in weefsels
2
, INTERACTIES VAN X-STRALEN
1. DRIE SOORTEN INTERACTIES
1.1. COMPTON SCATTERING
Belangrijkste effect in weefsels!
STAP 1 Röntgenenergie komt op weefsel en botst op e- buitenste energieniveaus
STAP 2 e- op buitenste niveau niet sterk gebonden => schiet weg => stralingsdosis + bio effecten
en overige energie vrijgesteld in alle richtingen (strooiingsenergie)
Kans op comptonverstrooiing = Z / E1/2
Z = atoomgetal van medium waar interactie in gebeurt
E = energie van röntgenstralen
Nadelen van strooistraling DUS strooistraling optimaliseren!
Beeldkwaliteit gaat achteruit (zie 5.) - Patiëntendosis aanpassen
- Bestraalde volume beperken via collimator
Bereikt personeel
1.2. FOTOELEKTRISCH ABSORPTIEPRINCIPE
STAP 1 Röntgenenergie wordt opgenomen door e- dicht tegen atoomkern
STAP 2 e- krijgt energie (röntgenstraling – bindingsenergie) en kan vrij in materie botsen
STAP 3 Vacature opgevuld door e- van naburige schil => karakteristieke röntgenstraal vrijgesteld (vaak volledig
geabsorbeerd) => geven dosis, maar bereiken detector niet!
5
Kans op fotoelektrische absorptie = Z / E3
Grote invloed! (>< compton)
Belang van lood (hoge Z) voor stralingsbescherming
Laagste energieën makkelijkst gestopt in materiaal
Belangrijk voor protectie tegen röntgenstralen: materiaal met hoge Z-waarde nodig (vb. lood)
1.3. DOOR WEEFSEL ZONDER INTERACTIE
Bereiken detector
2. DE ATTENUATIECOËFFICIËNT
2.1. DEFINITIE
Geeft de waarschijnlijkheid van het attenueren van röntgenstraling uit een bepaalde bundelrichting
Röntgenstralingsbuis zendt bepaalde bundel met bepaalde intensiteit
Intensiteit wordt gedempt door dikte: hoe dikker, hoe meer attenuatie, hoe meer absorptie
Intensiteit die de detector bereikt, hangt af van : hoe groter, hoe meer weggefilterd in object/patiënt
3