100% tevredenheidsgarantie Direct beschikbaar na je betaling Lees online óf als PDF Geen vaste maandelijkse kosten
logo-home
Abdomen 2 partim spijsverteringsorganen (2020GENGE1) - Samenvatting €33,49
In winkelwagen

Samenvatting

Abdomen 2 partim spijsverteringsorganen (2020GENGE1) - Samenvatting

 4 keer verkocht

Alle te kennen vragen voor het vak 'Abdomen 2 partim spijsverteringsorganen', gegeven in sem 2 in het NIEUWE CURRICULUM van Ma1 Geneeskunde op UA. Uitgewerkt met de cursus, aangevuld met notities en afbeeldingen uit de lessen. Behaald resultaat: 18/20

Voorbeeld 9 van de 338  pagina's

  • 12 februari 2025
  • 338
  • 2023/2024
  • Samenvatting
Alle documenten voor dit vak (7)
avatar-seller
ShanaVerschuren
SAMENVATTING
ABDOMEN 2:
SPIJSVERTERINGSORGANEN




ACADEMIEJAAR 2023 – 2024
NIEUW CURRICULUM
UA GENEESKUNDE – MASTER 1 – SEMESTER 2

,INHOUDSTAFEL
SLOKDARM.............................................................................................................................................................. 6
1. Wat is GERD? Diagnose? Behandeling?........................................................................................................... 6
2. Geef een overzicht van de verschillende slikstoornissen en geef telkens een korte beschrijving van wat de
stoornis inhoudt of wat het concrete letsel is ................................................................................................... 11
3. Bespreek diagnostiek en behandeling van achalasie .................................................................................... 13
4.Geef een overzicht van de 3 primaire motiliteitsstoornissen van de slokdarm en bespreek schematisch (bij
voorkeur in tabelvorm) de belangrijkste verschillen tussen de 3 ..................................................................... 16
5. Bespreek de eosinofiele oesophagitis: Prevalentie, diagnose, behandeling ................................................. 17
6. Wat weet u van een Barett slokdarm? .......................................................................................................... 18
DIARREE ................................................................................................................................................................ 20
7. Welke 3 types diarrhee kunnen we onderscheiden op basis van de fysiopathologie? Beschrijf bij elk type
kort de onderliggende mechanismen ............................................................................................................... 20
8. Wat is de diagnostische aanpak van acute diarrhee? ................................................................................... 24
9. Welke soorten chronische diarrhee kan men onderscheiden? ..................................................................... 26
10. Wat is de differentiaaldiagnose van chronische waterige diarrhee? .......................................................... 28
11. Bespreek galzoutendiarrhee ....................................................................................................................... 31
12. Bespreek steatorrhee .................................................................................................................................. 32
13. Bespreek lactoseintolerantie ....................................................................................................................... 34
14. Wat is coeliackie? Wat is de pathogenese?................................................................................................. 36
15. Hoe wordt de diagnose van coeliackie gesteld?.......................................................................................... 38
16. Hoe wordt coeliackie behandeld? ............................................................................................................... 40
IBD: INFLAMMATORY BOWEL DISEASE................................................................................................................ 41
17. Bespreek de pathogenese van inflammatoire darmziekten........................................................................ 41
18. Welke zijn de verwikkelingen, die kunnen optreden bij de ziekte van Crohn en bij colitis ulcerosa? ........ 44
19. Bespreek de mogelijke complicaties bij de ziekte van Crohn ...................................................................... 47
20. Bespreek de mogelijke complicaties bij colitis ulcerosa .............................................................................. 49
DIO: DIGESTIEVE ONCOLOGIE .............................................................................................................................. 51
21. Bespreek de benigne en maligne slokdarmtumoren................................................................................... 51
22. Bespreek de benigne en maligne maagtumoren......................................................................................... 55
23. Bespreek het voorkomen van slokdarmkanker wereldwijd en in België..................................................... 61
24. Bespreek de risicofactoren in het ontwikkelen van slokdarmkanker .......................................................... 63
25. Bespreek het plaveiselcelcarcinoom van de slokdarm ................................................................................ 64
26. Bespreek het adenocarcinoom van de slokdarm ........................................................................................ 66
27. Bespreek de risicofactoren van het ontwikkelen van maagkanker ............................................................. 68




1

, 28. Geef een schematisch overzicht van de verschillende types colonpoliepen en hun belangrijkste
kenmerken ........................................................................................................................................................ 69
29. Bespreek de adenomateuze colonpoliepen ................................................................................................ 72
30. Bespreek de behandeling van het coloncarcinoom .................................................................................... 75
31. Bespreek de behandeling van het rectumcarcinoom .................................................................................. 79
32. Hoe wordt er gescreend voor colorectaal carcinoom? ............................................................................... 82
PANCREAS ............................................................................................................................................................. 85
33. Bespreek de pathogenese van acute pancreatitis ....................................................................................... 85
34. Bespreek de pathogenese van chronische pancreatitis en de verschillen met acute pancreatitis? ........... 87
35. Bespreek de benigne tumoren van het exocriene pancreas ....................................................................... 90
36. Bespreek de risicofactoren van pancreaskanker ......................................................................................... 92
37. Bespreek de meest voorkomende maligne solide tumor van het pancreas ............................................... 94
38. Wat zijn functionele neuro-endocriene tumoren en bespreek ze?............................................................. 98
39. Wat zijn niet-functionele neuro-endocriene tumoren van de pancreas? ................................................. 102
40. Bespreek de verschillende vormen en oorzaken van pancreatitis ............................................................ 103
41. Beschrijf de symptomatologie en diagnostische aanpak van een acute pancreatitis ............................... 108
42. Hoe wordt de ernst van een acute pancreatitis ingeschat en wat zijn de mogelijke verwikkelingen? ..... 113
43. Hoe wordt een acute pancreatitis behandeld? ......................................................................................... 117
44. Bespreek de belangrijkste aspecten van chronische pancreatitis (oorzaken, kliniek, complicaties,
behandeling).................................................................................................................................................... 119
45. Bespreek de pancreaticoduodenectomie met reconstructies. Wat zijn de mogelijke complicaties? ....... 124
46. Wat is de behandeling van een pancreaspseudocyste? ............................................................................ 127
47. Wat kan chirurgie betekenen in de aanpak van een chronische pancreatitis (indicaties & technieken)? 128
GI BLOEDING ....................................................................................................................................................... 130
48. Hoe wordt de ernst van een gastrointestinale bloeding ingeschat? ......................................................... 130
49. Bespreek de algemene aanpak van een hoge gastrointestinale bloeding ................................................ 133
50. Bespreek de belangrijkste oorzaken van een hoge gastrointestinale bloeding en bespreek de gelijkenissen
en verschillen in diagnostische en therapeutische aanpak ............................................................................. 136
CONSTIPATIE EN IBS ........................................................................................................................................... 141
51. Hoe stel je de diagnose van een prikkelbare darmsyndroom? Wanneer plan je een coloscopie? .......... 141
52. Bespreek de behandeling van het prikkelbare darmsyndroom en leg waar mogelijk een verband naar
onderliggende pathofysiologische mechanismen ........................................................................................... 144
53. Bespreek het FODMAP dieet ..................................................................................................................... 148
54. Welke vormen van constipatie ken je? Welke onderzoeken zou je vragen om deze subtypes te
differentiëren? ................................................................................................................................................ 150
55. Bespreek de systematische behandeling van de patient met constipatie ................................................ 153
56. Welke prolaps syndromen ken je? En op welke manier spelen deze een rol bij therapie refractaire
constipatie? ..................................................................................................................................................... 156



2

,PROCTOLOGIE ..................................................................................................................................................... 158
57. Bespreek de behandeling van hemorroïden. Opdelen in conservatief en chirurgisch .............................. 158
58. Bespreek de differentieel diagnose van anale pijn.................................................................................... 161
59. Oorzaken en behandeling van pruritus ani (= anale jeuk) ......................................................................... 165
60. Bespreek de primaire anale fissuur ........................................................................................................... 167
HEPATOLOGIE ..................................................................................................................................................... 169
61. Geef een schematisch overzicht van de belangrijkste complicaties van portale hypertensie en hun
onderliggende mechanismen .......................................................................................................................... 169
62. Bespreek slokdarmvarices en hun behandeling ........................................................................................ 175
63. Bespreek de diagnose en behandeling van ascites door portale hypertensie .......................................... 177
64. Bespreek spontane bacteriële peritonitis (SBP) ........................................................................................ 181
65. Bespreek het hepatorenaal syndroom (fysiopathologie, diagnose, behandeling) .................................... 183
66. Bespreek de diagnose en behandeling van hepatische encephalopathie ................................................. 185
67. Bespreek het acuut leverfalen................................................................................................................... 187
68. Wat zijn de indicaties voor levertransplantatie? ....................................................................................... 191
69. Geef een schematisch overzicht van de verschillende hepatitis virussen wat betreft infectiebron,
transmissie, chroniciteit en preventie ............................................................................................................. 194
70. Wat weet u over hepatitis A? .................................................................................................................... 196
71. Wat weet u over hepatitis B? .................................................................................................................... 199
72. Wat weet u over hepatitis C? .................................................................................................................... 205
73. Bespreek de parasitaire leveraandoeningen ............................................................................................. 208
74. Bespreek hemochromatose ...................................................................................................................... 212
75. Wat weet u over alfa-1 antitrypsine deficiëntie? ...................................................................................... 215
76. Welke systematische diagnostische en eventueel therapeutische stappen onderneemt u bij een toevallig
vastgesteld leverletsel? ................................................................................................................................... 218
77. Geef in een schematisch overzicht de verschillen tussen de benigne solide leverletsels ......................... 219
78. Bespreek de benigne soliede en cystische levertumoren ......................................................................... 220
79. Bespreek de goedaardige tumoren van hepatocellulaire origine ............................................................. 224
80. Bespreek de kwaadaardige tumor(en) van hepatocellulaire origine bij de volwassene ........................... 229
81. Bespreek de goedaardige tumoren van biliaire origine in de lever........................................................... 234
82. Geef in schematisch overzicht de verschillende klinische presentaties van toxisch leverlijden en geef 3
voorbeelden met hun respectievelijke aanpak ............................................................................................... 239
83.1 Wat weet u over PBC (Primair biliaire cholangitis)? ................................................................................ 243
83.2 Wat weet u over PSC (Primair scleroserende scholangitis)? ................................................................... 246
84. Wat weet u over autoimmune hepatitis? ................................................................................................. 248
85. Geef een schematisch overzicht van de verschillen en gelijkenissen tussen AIH, PBC en PSC ................. 251
86. Bespreek de zwangerschapsgerelateerde leverafwijkingen ..................................................................... 254
87. Wat is MASLD? Bespreek de verschillende subtypes ................................................................................ 262


3

, 88 Wat is het klinisch belang van MASLD? ...................................................................................................... 265
89. Hoe pak je een patiënt met de diagnose van MASLD aan? ....................................................................... 267
90. Bespreek het belang van preoperatieve bloedingscontrole in leverchirurgie .......................................... 269
91. Bespreek het belang van peroperatieve echografie in leverchirurgie ...................................................... 270
92. Bespreek het belang van leverregeneratie in leverchirurgie..................................................................... 271
93. Bespreek de verschillende soorten leverresecties, mede in relatie met de leveranatomie ..................... 272
94. Bespreek de verschillende soorten levercysten en de behandeling ......................................................... 274
95. Bespreek postoperatief leverfalen en de methodes om dit te vermijden ................................................ 277
96. Bespreek het concept ablatie van levertumoren ...................................................................................... 279
97. Bespreek de secundaire levertumoren: ontstaan, behandeling en prognose .......................................... 281
GALBLAAS EN GALWEGEN .................................................................................................................................. 283
98. Bespreek de congenitale afwijkingen van de galwegen: types, behandeling ........................................... 283
99. Bespreek het ontstaan en de risicofactoren van cholelithiasis ................................................................. 285
100. Welke verschillende klinische syndromen kan cholelithiasis veroorzaken? ........................................... 286
101. Bespreek acute cholecystitis: ontstaan, kliniek, behandeling ................................................................. 294
102. Bespreek choledocholithiasis: ontstaan, kliniek, behandeling ................................................................ 296
103. Welke verwikkelingen kunnen gezien worden na galblaas- en galwegchirurgie?................................... 298
104. Bespreek de goedaardige galblaastumoren ............................................................................................ 299
105. Bespreek het galblaascarcinoom ............................................................................................................. 300
106. Bespreek het hiliair cholangiocarcinoom ................................................................................................ 302
ABDOMINALE HEELKUNDE ................................................................................................................................. 304
107. Welke types hiatale hernia ken je en hoe worden ze behandeld?.......................................................... 304
108. Welke anti-reflux heelkundige technieken zijn er en wat zijn de potentiële gevolgen van deze
chirurgische ingrepen? .................................................................................................................................... 305
109. Welke verschillende onderzoeken heb je nodig om een slokdarmcarcinoom volledig in kaart te brengen
alvorens een behandeling in te stellen? .......................................................................................................... 306
110. Wat zijn de gevolgen van slokdarmresectie voor de patiënt en wat zijn de mogelijke complicaties? .... 308
111. Welke verschillende onderzoeken heb je nodig om een maagcarcinoom volledig in kaart te brengen
alvorens een behandeling in te stellen? .......................................................................................................... 311
112. Wat zijn de verschillen tussen een totale en een subtotale gastrectomie (met inbegrip van de
reconstructies)?............................................................................................................................................... 312
113. Wat zijn de potentiële gevolgen van een gastrectomie? ........................................................................ 314
114. Bespreek dumping ................................................................................................................................... 315
115. Wanneer bestaat er bij een patiënt met een ziekte van Crohn een heelkundige indicatie en waaruit kan
deze bestaan?.................................................................................................................................................. 316
116. Wanneer bestaat er bij een patiënt met een colitis ulcerosa een heelkundige indicatie en waaruit zal
deze bestaan?.................................................................................................................................................. 319




4

, 117. Welke verschillende heelkundige technieken kunnen gebruikt worden bij behandeling van rectale
tumoren? Leg kort uit, met voor- en nadelen ................................................................................................. 321
118. Hoe kan bij rectale chirurgie het rectum gereconstrueerd worden? ...................................................... 323
119. Wat is een low antertior resectiesyndroom en hoe wordt het aangepakt? ........................................... 324
120. Wat zijn de mogelijke complicaties van colon en rectumchirurgie en hoe wordt het aangepakt?......... 325
121. Welke types liesbreuk kent u? Wat zijn de chirurgische opties en wanneer is chirurgie geïndiceerd? .. 326
122. Bespreek het rectushematoom ............................................................................................................... 329
DIVERTICULITIS ................................................................................................................................................... 330
123. Wat is diverticulitis en wat is de pathogenese? ...................................................................................... 330
124. Hoe wordt de diagnose van diverticulitis gesteld? Classificatie? ............................................................ 334
125. Wat is de niet-chirurgische behandeling van diverticulitis? .................................................................... 336
126. Wat zijn de indicaties voor chirurgie in de behandeling van diverticulitis? ............................................ 337




5

,SLOKDARM
1. WAT IS GERD? DIAGNOSE? BEHANDELING?

WAT IS GERD? (GASTRO-OESOFAGALE REFLUX DISEASE)

ð Komt veel voor!
o 20-30% van de mensen hebben dit wekelijks
o 7-10% hebben dit dagelijks


FYSIOLOGIE EN PATHOLOGIE
- Fysiologisch
o Reflux van maaginhoud naar slokdarm is een normaal fysiologisch gebeuren
- Wanneer pathologische refluxziekte?
o Als de reflux aanleiding geeft tot verwikkelingen
§ Oesofagitis, astma, aspiratiepneumonie, laryngitis…
o Als de reflux symptomen veroorzaakt die levenskwaliteit van de patiënt verslechtert
§ 2 dagen/week pyrosis (= brandend maagzuur)


PATHOFYSIOLOGIE
ð Dysfunctie van de oesofagogastrische junctie
- Incompetentie van onderste slokdarmsfincter (LES)
o LES hypotensie
§ Sterk verlaagde sfinctertonus
o TLESR (transiënt LES relaxatie)
§ Tijdelijke kortstondige relaxatie van de sfincter, zonder te slikken
-> vaak postprandiaal om gassen uit de maag te laten ontsnappen: ructus/boeren
- Gestoorde antirefluxbarrières
o Verstoring anatomische diafragmapijlers
§ Bv. hiatus hernia
o Hypertensie LES
§ Bv. ZWP en obesitas à verhoogde intra-abdominale druk
o Gestoorde secundaire peristaltiek
§ Brengt normaal refluxvocht terug tot in maag à langer contact
o Vertraagde gastrische lediging (diabetes)
o Verminderde speekselsecretie voor neutralisatie
o Mucusbarrière aangetast
§ Door extra zure reflux of galzouten (bv. na gastrectomie)
ð Onderscheid fysiologische en pathologische reflux (GERD) = 24uurs pH registratie

,SYMPTOMEN

TYPISCHE REFLUX KLACHTEN
- Regurgitatie
o = omhoog gaan van voeding, gal…
- Pyrosis
o = zuurbranden, vooral in liggende houding
- Noncardiac chest pain
o DD coronair ischemisch hartlijden

ATYPISCHE SYMPTOMEN
- Nausea
- Dysfagie (DD slokdarmcarcinoom) - Odynofagie (slikpijn)
- Ructus - Hypersalivatie (teveel speeksel)
- Epigastrische pijn - Globus
- Hoesten - Astma
- Heesheid - Chronische hoest

EXTRA-OESOFAGEALE MANIFESTATIES
- Laryngopharyngeale reflux
- Astma
- Chronische hoest
ð Mechanisme
o Zuur aerosol micro-aspiratie, oesofagotracheale reflex
ð Behandeling
o Dubbele dosis PPI, 4-6m empirische behandeling
o Geen chirurgie


RISICOFACTOREN
- Obesitas
- Roken
- Alcohol


VERWIKKELINGEN
ð Oesofagitis
ð Dit kan verder leiden tot:
o Peptische stenose à dysfagie
§ Onderhoudsbehandeling PPI
§ Endoscopische dilatatie
o Ulcus
§ GI bloedverlies
o Barrett slokdarm
§ Omvorming meerlagig plaveiselepitheel tot éénlagig cilindrisch (slijmvliesmetaplasie)
o Slokdarmcarcinoom
§ 30-40x meer kans




7

, DIAGNOSTIEK

ð Geen gouden standaard voor de diagnose

ANAMNESE
ð Refluxsymptomen aanwezig (pyrosis + zure regurgitatie) = 90% specifiek

PPI TEST
- 6-8 weken standaard dosis
- > 50% symptoomreductie nodig
- Goed in eerste lijn en indien geen alarmklachten
- Weinig specifiek: gaat ook werken bij peptische ulcus of functionele dyspepsie

ENDOSCOPIE
ð Oesofagoscopie/gastroscopie + eventuele biopsie
o Graad A: één of meer erosies van <5mm, op ‘kam’ van mucosaplooien (niet dal)
o Graad B: A maar >5mm
o Graad C: erosies breiden zich uit tussen de kammen van 2 of meer plooien
o Graad D: >75% van de luminale omtrek aangetast
ð A en B verergeren zelden, C en D genezen moeilijker + mogelijk verwikkelingen




INDICATIE GASTROSCOPIE
- Refractaire GERD symptomen
- Wekelijks GERD > 50j
- Alarmsymptomen
o Dysfagie
o Hematemesis
o Gewichtsverlies
- DD
o Eosinofiele oesofagitis
o Infectie
o Slokdarmkanker

24U PH-METING
- Elektrode in slokdarm tot 5 cm boven onderste sfincter
o à over 24u meten en kijken hoeveel reflux er aanwezig is
o pH + impendatie meten + op knopje duwen bij klachten
§ pH < 4 gedurende meer dan 4% van de registratietijd
o Off PPI: 5-7d gestopt!
- Indicaties
o Therapie resistentie GERD
o Voor chirurgie



8

Dit zijn jouw voordelen als je samenvattingen koopt bij Stuvia:

Bewezen kwaliteit door reviews

Bewezen kwaliteit door reviews

Studenten hebben al meer dan 850.000 samenvattingen beoordeeld. Zo weet jij zeker dat je de beste keuze maakt!

In een paar klikken geregeld

In een paar klikken geregeld

Geen gedoe — betaal gewoon eenmalig met iDeal, Bancontact of creditcard en je bent klaar. Geen abonnement nodig.

Focus op de essentie

Focus op de essentie

Studenten maken samenvattingen voor studenten. Dat betekent: actuele inhoud waar jij écht wat aan hebt. Geen overbodige details!

Veelgestelde vragen

Wat krijg ik als ik dit document koop?

Je krijgt een PDF, die direct beschikbaar is na je aankoop. Het gekochte document is altijd, overal en oneindig toegankelijk via je profiel.

Tevredenheidsgarantie: hoe werkt dat?

Onze tevredenheidsgarantie zorgt ervoor dat je altijd een studiedocument vindt dat goed bij je past. Je vult een formulier in en onze klantenservice regelt de rest.

Van wie koop ik deze samenvatting?

Stuvia is een marktplaats, je koop dit document dus niet van ons, maar van verkoper ShanaVerschuren. Stuvia faciliteert de betaling aan de verkoper.

Zit ik meteen vast aan een abonnement?

Nee, je koopt alleen deze samenvatting voor €33,49. Je zit daarna nergens aan vast.

Is Stuvia te vertrouwen?

4,6 sterren op Google & Trustpilot (+1000 reviews)

Afgelopen 30 dagen zijn er 71250 samenvattingen verkocht

Opgericht in 2010, al 15 jaar dé plek om samenvattingen te kopen

Start met verkopen
€33,49  4x  verkocht
  • (0)
In winkelwagen
Toegevoegd