Voortgekomen uit de nabereiding van de colleges
College 1:
De kennis van de ontwikkeling van kinderen is belangrijk:
- Omdat het kan worden toegepast op de opvoeding, zo kan gedragsbeïnvloeding
plaatsvinden
- Omdat je kinderen kan identificeren die afwijken van wat als normaal wordt gezien, dit
kan worden gebruik om de ontwikkeling gunstig te beïnvloeden.
- Om het ontstaan en beloop van abnormaal functioneren te begrijpen.
beschrijven – begrijpen – voorspellen – beïnvloeden
Belang voor praktijk:
- Keuze van activiteiten
- Communicatie / benaderingswijze
- Signaleren / aanpassen
ontwikkeling wordt gekenmerkt door 3 basisprincipes:
1. Proces met een vaste volgorde en (normaal gesproken) onomkeerbaar is.
2. Cumulatief, elke fase in de ontwikkeling bevat het voorgaande.
3. Altijd van eenvoudig naar complex, differentiatie en integratie spelen hierin een rol.
Ontwikkeling bestaat uit onomkeerbare veranderingen in de tijd die in een vaste volgorde,
cumulatief en in de richting van grotere complexiteit verlopen.
Ontwikkeling kan worden gezien als een product van 3 factoren:
1. De genen, wat ze hebben geërfd van hun ouders.
2. De voorgaande ontwikkeling, de ontwikkelingsgeschiedenis van het kind.
3. Actuele omgevingsinvloeden.
Invloeden die de ontwikkeling vanaf de bevruchting vormen:
1. Omgevingsinvloeden:
1. De directe omgeving, gezin, crèche, school, leeftijdgenoten of de buurt.
2. Sociaal-Economische factoren, bv. Kwaliteit van onderwijs, aanwezigheid van
sportvoorzieningen en de kenmerken van de buurt.
3. De culturele context, maatschappelijke houding en waarden ten opzichte van
opvoeding en gedrag.
2. Erfelijke invloeden:
1. Biologische invloeden
Verschillende stromingen:
1. Nativisme = waarom moeten dingen, het zit al in de DNA dus het ontwikkeld zichzelf wel
als het nodig is. Iedereen is goed.
2. Empirisme = ik ga opvoeden en ik ga het voeden.
3. Interactionisme = Ontwikkeling is het resultaat van op elkaar ingrijpende leer- en
rijpingsprocessen .
- Ervaring (leren)
Nieuwe kennis/vaardigheid
Verfijning bestaande kennis/vaardigheid
- Ouder worden (groei, rijping)
College 2: cognitieve ontwikkeling
Cognitieve ontwikkeling = alle ontwikklingen binnen de taal, denkvermogen en geheugen
Cognitieve ontwikkeling kleuters:
- Pre-operationele periode 2-7 jaar peuter/kleuter (piaget)
- Kern: ontbreken logische/systematische denk strategieën
Magische denken/fantasie = ze hebben hun eigen fantasiewereld
Animisme = een voorwerp heeft gevoelens, een voorwerp menselijke
eigenschappen geven
, Logisch denken/causale verbanden leggen -> vinden kleuters moeilijk
Centratie = ( ze kunnen zich maar op één aspect concentreren en niet of het
geheel)
Classificeren -> vinden kleuters moeilijk, categoriseren
Egocentrisme
- Geheugen: (herkennen/reproduceren)
Herkennen kunnen kleuters goed (het spel memory)
- Aandacht:
Concentratie/motivatie (fantasiewereld)(concentratie is er als ze het interessant
vinden en het voor hun relevant is)
Moeite met selectieve aandacht
- Sociale cognitie:
Egocentrisme (piaget)(ze zijn heel erg bezig met zichzelf en iedereen voelt en ziet
wat ik zie)(onbewust zijn/haar eigen belangen nastreven, eigen gedachte)
Theory of Mind (toM) in ontwikkeling: ‘’het besef dat andere een eigen
gedachtewereld hebben’’ (samenwerking is lastig omdat ze zich nog niet kunnen
verplaatsen in een ander)
Kleuters in de praktijk:
- Weing en eenvoudige regels
- Samenwerkingsvormen beperkt en met zorg
- Veel en gevarieerd aanbieden
- Fantasie toepassen in de opdrachten
- Veel voordoen – weinig vertellen
Sociale cognitie schoolleeftijd:
- Concreet operationele periode (piaget) kern: ontstaan van mogelijkheid tot consistent,
logisch & systematisch
- Logische redenen
Rangorde, Categorieën (classificeren op meerdere dimensies)
Conservatie van getal, gewicht en volume: Reversibiliteit
- Denkprocessen
Denken: hier en nu
Manier van redeneren incompleet reflecteren/ analyseren moeilijk
Snelheid van cognitieve processen neemt toe t.o.v. kleuterperiode (maar is nog
niet optimaal)
Leerdoelen