- Verbuiging van het bijvoeglijk naamwoord
- Regels van de Duitse voorzetsels
- Als je geen lidwoord voor je bijvoeglijk
naamwoord
- De OTT en OVT van haben, sein en werden
Hoofdstuk 12 en 13
Verbuiging bijvoeglijke naamwoord
der-groep
Naamval Mannelijk Vrouwelijk Onzijdig Meervoud
1 e
Der gute Die alte Das kleine Kind Die reichen
Mann Frau Leute
3 e
Dem guten Der alten Dem kleinen Den reichen
Mann Frau Kind Leuten
4 e
Den guten Die alte Das kleine Kind Die reichen
Mann Frau Leute
ein-groep
Naam Mannelijk Vrouwelijk Onzijdig Meervoud
val
1e ein guter Mann eine alte ein kleines keine reichen
Frau Kind Leute
3e einem guten einer alten einem kleinen keinen reichen
Mann Frau Kind Leuten
4e einen guten eine alte ein kleines keine reichen
Mann Frau Kind Leute
1. Ontleed de zin (als er een Keuzevoorzetsel
voorzetsel staat hoef je
niet te ontleden) an, auf, hinter, in, neben, unter, über, vor, zwischen.
2. Geen voorzetsel
Kijk welke woordsoort je
woord is en dan weet je bij Aus, bei, mit, nach, seit, von, zu, gegenüber, außer.
welke naamval hij hoort.
3. Wel voorzetsel 4e
Kijk bij welke naamval het Bis, durch, für, gegen, ohne, um
voorzetsel hoort.
4. Kijk welke vorm het
zelfstandig naamwoord
heeft.
5. Kijk in het rijtje van de ein
of der groep en vul het
juiste antwoord in.
Je gebruikt dit rijtje als er geen lidwoord voor je bijvoeglijke naamwoord
staat.
- Regels van de Duitse voorzetsels
- Als je geen lidwoord voor je bijvoeglijk
naamwoord
- De OTT en OVT van haben, sein en werden
Hoofdstuk 12 en 13
Verbuiging bijvoeglijke naamwoord
der-groep
Naamval Mannelijk Vrouwelijk Onzijdig Meervoud
1 e
Der gute Die alte Das kleine Kind Die reichen
Mann Frau Leute
3 e
Dem guten Der alten Dem kleinen Den reichen
Mann Frau Kind Leuten
4 e
Den guten Die alte Das kleine Kind Die reichen
Mann Frau Leute
ein-groep
Naam Mannelijk Vrouwelijk Onzijdig Meervoud
val
1e ein guter Mann eine alte ein kleines keine reichen
Frau Kind Leute
3e einem guten einer alten einem kleinen keinen reichen
Mann Frau Kind Leuten
4e einen guten eine alte ein kleines keine reichen
Mann Frau Kind Leute
1. Ontleed de zin (als er een Keuzevoorzetsel
voorzetsel staat hoef je
niet te ontleden) an, auf, hinter, in, neben, unter, über, vor, zwischen.
2. Geen voorzetsel
Kijk welke woordsoort je
woord is en dan weet je bij Aus, bei, mit, nach, seit, von, zu, gegenüber, außer.
welke naamval hij hoort.
3. Wel voorzetsel 4e
Kijk bij welke naamval het Bis, durch, für, gegen, ohne, um
voorzetsel hoort.
4. Kijk welke vorm het
zelfstandig naamwoord
heeft.
5. Kijk in het rijtje van de ein
of der groep en vul het
juiste antwoord in.
Je gebruikt dit rijtje als er geen lidwoord voor je bijvoeglijke naamwoord
staat.