Sarah Nouwen
H3B
Nederlands §spelling:
Hoofdstuk 1:
Werkwoordsvormen:
Werkwoorden correct spellen gaat in twee stappen:
Stap 1: Bepaal met welke werkwoordsvorm je te maken hebt.
Stap 2: Pas de spellingregel toe die bij die werkwoordsvorm hoort.
Er zijn zeven werkwoordsvormen:
1. De infinitief (inf.) is een vorm die je niet kan veranderen. Een infinitief
wordt ook wel het ‘hele werkwoord’ genoemd. De infinitief komt vaak
voor in zinnen met hulpwerkwoorden als kunnen, moeten, willen en
zullen. Een werkwoord achter het voorzetsel te is altijd een infinitief.
2&3. De persoonsvorm (pvtt en pvvt) vind je door de zin van tijd te
veranderen: alle persoonsvormen veranderen dan.
4. Een gebiedende wijs (gw) herken je aan het ontbreken van het
onderwerp. Bijv. Probeer het eerst zelf eens en vraag niet onmiddellijk
om hulp!
5. Een voltooid deelwoord (vd) komt voor in combinatie met een vorm van
de werkwoorden zijn, hebben en worden. Het begint vaak met –ge, maar
het kan ook beginnen met –be, -ver, -ont of –her.
6. Een ontvoltooid deelwoord (od) herken je aan de vorm: de infinitief met
-d(e) erachter.
7. Een bijvoeglijk naamwoord (bn) dat gemaakt is van een voltooid of
onvoltooid deelwoord, hoort bij een zelfstandig naamwoord. Het heeft
een korte vorm en een lange vorm (met –e).
Hoofdstuk 2:
Met of zonder –n?
Aantekening uit schrift:
Is een telwoord zelfstandig gebruikt én slaat het op personen? Dan schrijf je
een –n. In alle andere gevallen schrijf je geen –n.
- Voorbeeld: Enkele leerlingen letten op de uitleg, andere niet.
1
H3B
Nederlands §spelling:
Hoofdstuk 1:
Werkwoordsvormen:
Werkwoorden correct spellen gaat in twee stappen:
Stap 1: Bepaal met welke werkwoordsvorm je te maken hebt.
Stap 2: Pas de spellingregel toe die bij die werkwoordsvorm hoort.
Er zijn zeven werkwoordsvormen:
1. De infinitief (inf.) is een vorm die je niet kan veranderen. Een infinitief
wordt ook wel het ‘hele werkwoord’ genoemd. De infinitief komt vaak
voor in zinnen met hulpwerkwoorden als kunnen, moeten, willen en
zullen. Een werkwoord achter het voorzetsel te is altijd een infinitief.
2&3. De persoonsvorm (pvtt en pvvt) vind je door de zin van tijd te
veranderen: alle persoonsvormen veranderen dan.
4. Een gebiedende wijs (gw) herken je aan het ontbreken van het
onderwerp. Bijv. Probeer het eerst zelf eens en vraag niet onmiddellijk
om hulp!
5. Een voltooid deelwoord (vd) komt voor in combinatie met een vorm van
de werkwoorden zijn, hebben en worden. Het begint vaak met –ge, maar
het kan ook beginnen met –be, -ver, -ont of –her.
6. Een ontvoltooid deelwoord (od) herken je aan de vorm: de infinitief met
-d(e) erachter.
7. Een bijvoeglijk naamwoord (bn) dat gemaakt is van een voltooid of
onvoltooid deelwoord, hoort bij een zelfstandig naamwoord. Het heeft
een korte vorm en een lange vorm (met –e).
Hoofdstuk 2:
Met of zonder –n?
Aantekening uit schrift:
Is een telwoord zelfstandig gebruikt én slaat het op personen? Dan schrijf je
een –n. In alle andere gevallen schrijf je geen –n.
- Voorbeeld: Enkele leerlingen letten op de uitleg, andere niet.
1