Deel I : Hoofdstuk 2: De oprichting
van de kast
2.1 en 2.2 : De start
Voor je een onderneming wilt opstarten heb je de volgende zaken sowieso nodig:
1. Vergunningen: In sommige branches heb je deze nodig om een bedrijf te beginnen.
2. Inschrijven in het Handelsregister: De naam van elk bedrijf wordt bij de KvK
ingeschreven in het Handelsregister. Bij die inschrijving wordt gekeken of het publiek
niet wordt misleid door de gekozen handelsnaam.
3. De administratie: Volgens het Wetboek van Koophandel is ieder bedrijf verplicht op
een zodanige wijze administratie te voeren, dat daaruit altijd alle rechten en
verplichtingen blijken.
4. De vestgingsplaats
5. De investeringsbegroting: Op zo’n begroting staan alle zaken die je moet
aanschaffen om een bedrijf te beginnen. Met zo’n begroting kun je ongeveer zeggen
hoeveel geld je nodig hebt om een bedrijf te beginnen.
6. De resultatenbegroting: Hierin staat hoe hoog je opbrengsten en kosten zullen zijn
in een toekomstige periode. De winst die resteert nadat je de kosten hebt afgetrokken
van de opbrengsten, kun je dan gebruiken om zelf van te leven.
7. De liquiditeitsbegroting: In een liquiditeitsbegroting komen alle betalingen en
ontvangsten te staan die je in een toekomstige periode moet doen. Deze begroting
geeft aan of je genoeg liquide middelen hebt in de kas en op de bank.
8. De rechtsvorm: De rechtsvorm is de juridische vorm waarin een bedrijf gedreven
wordt en is bepalend voor hoe je belasting moet betalen en hoe de aansprakelijkheid
is geregeld en wie er overeenkomsten mag sluiten. Het belangrijkste kenmerk van de
eenmanszaak is dat er juridisch geen scheiding is tussen het privé en zakelijk
vermogen.
9. De verzekeringen:
10. De financiering
11. Diversen: Zoals het openen van een bankrekening, zoeken van leveranciers.
2.3 De BTW
Btw betekent Belasting op de Toegevoegde waard en wordt ook wel omzetbelasting
genoemd. Over alle goederen en diensten die een onderneming verkoopt moet btw
berekend worden. Deze belasting wordt door de bedrijven betaald aan de overheid, maar de
bedrijven berekenen deze belastingen door in hun verkoopprijs waardoor uiteindelijk, de
consument deze belasting betaalt. De btw maakt goederen en diensten voor de consument
duurder. Daarom is het prijsverhogende belasting. Er zijn 3 btw-tarieven: 6% voor
noodzakelijke levensbehoeften,21% voor luxe goederen en 0% voor goederen die
geëxporteerd worden. Collectieve goederen van de overheid zoals onderwijs , zijn vrij van
belastingheffing. Wanneer de verkoper de goederen verkoopt, ontvangt hij van de afnemer
btw. Deze ontvangen btw moet hij afdragen aan de fiscus. Wanneer de ondernemer zelf
afnemer is of met andere woorden; goederen inkoopt dan moet hij btw aan zijn leverancier