Diagnostiek
1. 1ste driehoek
P
E T
Persoon: geslacht, leeftijd, bouw
Taak
Omgeving: drukte, licht, ruimte, binnen/buiten
2. Classificaties
Groot motorisch klein motorisch
Groot motorisch
Locomotorisch manipulatief niet-locomotorisch
Van a naar b hanteren van object stabiliteit
Springen, rennen -Versnellen (propulsieve gooien) -transfers: gaan zitten
-Vertragen (receptieve vangen) -Postures houdingen
-Stuiteren -Gestures gebaren
Mate van definiëring van begin en einde van een beweging
Discreet seriële continue
1 beweging meerdere discrete eenzelfde bewegingen
1 hink, 1 sprong hink-stap-sprong hinken, lopen
Mate van voorspelbaarheid
Gesloten open
Zeer voorspelbaar niet voorspelbaar
Persoon en omgeving staat stil persoon en omgeving in beweging
Self paced externally paced
Motorisch of cognitief
Motorisch cognitief
Van A naar B schaken
3. 2de driehoek
P
E T
Interne constraints: (lengte, gewricht, geslacht, leeftijd) visuele problemen, pijn, evenwicht, kracht
Strategie: (op welke manier wordt de beweging uitgevoerd) alle compensaties
Onderliggende processen: model van schmidt (heterarchisch model)
Input is altijd sensorisch vervolgens de output.
- Intentie: de taakeis
, - Stimulus identificatie: horen, zien, voelen. De sensoriek en propiocepsis zorgen voor dat je weet
wat je moet doen
- Respons selection: nemen van de juiste beslissing
- Respons programmering: volgorde van de handelingen in de tijd (scenario) organiseren en
plannen respons
- Generaliseerde motorische programma: ophalen uit zijn langer termijn geheugen alleen als het
gekunde motoriek is
- Parametrisatie: krachtgeneratie gaan instellen, doseren van de kracht, snelheid, bewegingsuitslag
ampitude, richting
- Spierinitiatie: motorunits selecteren die bijdragen aan de beweging, posturale controle, as van
bewegen, biomechanica
- Perifere zenuwtransmissie: impuls bij motorische voorhoorncel. De prikkel gaat daarnaartoe dan
naar de spier.
- Motorische gedrag myosine en actine trekken samen
- Ten slotte vindt dan de output plaats. Deze is motorisch
Feedback: closed loop
- Nieuwe bewegingen, bewegingen die precisie nodig hebben
- Langere bewegingstijd
- Je moet bijsturen
- M1 monosegmentale 30-50
- M2 multisegmentale 50-80
- M3 topdown 120-180
Feedforward: open loop
- Korte bewegingstijd
- Je hoeft niet bij te sturen
4. Algemene observatie
Doel bereikt?
Kwantitatief (hoe vaak)
Consistent
Vloeiendheid
Balans
Posturale controle
Visuele controle
A Symmetrie
Hand of voet voorkeur
Explosief
Amplitudo
Balans landing
Flexibiliteit
Snelheid
Nauwkeurig
Ritme
Vrijheidsgraden
- Flexie/extensie
- Exorotatie/endorotatie
- Abductie/adductie
Mate van beheersing
- Cognitief: nog veel overdenken (aanleren)
- Associatief: kan beweging uitvoeren, maar niet in een open omgeving
- Autonoom: gaat vanzelf
, 5. Specifieke observatie
- Fase benoemen
- In welke vlak beweegt
o Transversale vlak: exorotatie/endorotatie
o Frontale vlak: abductie/adductie
o Sagittaal vlak: flexie/extensie
- Hoe is zijn start houding
- Benoem de delen die je ziet in de volgorde van de criteria
- Benoem de amplitudo
- Benoem wanneer een strekking is
- Benoem de afzethoek
- Geef aan als je een interpretatie geeft
- Symmetrisch
- Benoem evenwicht compensaties
- Hoe vangt hij het op?
- Spieren benoemen
Vragen voor de spieren:
1. Van waar naar waar gaat het gewricht?
2. Is dat met de zwaartekracht mee of tegen?
3. Wil je sneller of langzamer dan de zwaartekracht?
4. Wil je dan versnellen of vertragen?
5. Gebruik je agonisten of antogonisten?
6. Welke spieren zijn dat?
7. Hoe heet deze contractie?
1. 1ste driehoek
P
E T
Persoon: geslacht, leeftijd, bouw
Taak
Omgeving: drukte, licht, ruimte, binnen/buiten
2. Classificaties
Groot motorisch klein motorisch
Groot motorisch
Locomotorisch manipulatief niet-locomotorisch
Van a naar b hanteren van object stabiliteit
Springen, rennen -Versnellen (propulsieve gooien) -transfers: gaan zitten
-Vertragen (receptieve vangen) -Postures houdingen
-Stuiteren -Gestures gebaren
Mate van definiëring van begin en einde van een beweging
Discreet seriële continue
1 beweging meerdere discrete eenzelfde bewegingen
1 hink, 1 sprong hink-stap-sprong hinken, lopen
Mate van voorspelbaarheid
Gesloten open
Zeer voorspelbaar niet voorspelbaar
Persoon en omgeving staat stil persoon en omgeving in beweging
Self paced externally paced
Motorisch of cognitief
Motorisch cognitief
Van A naar B schaken
3. 2de driehoek
P
E T
Interne constraints: (lengte, gewricht, geslacht, leeftijd) visuele problemen, pijn, evenwicht, kracht
Strategie: (op welke manier wordt de beweging uitgevoerd) alle compensaties
Onderliggende processen: model van schmidt (heterarchisch model)
Input is altijd sensorisch vervolgens de output.
- Intentie: de taakeis
, - Stimulus identificatie: horen, zien, voelen. De sensoriek en propiocepsis zorgen voor dat je weet
wat je moet doen
- Respons selection: nemen van de juiste beslissing
- Respons programmering: volgorde van de handelingen in de tijd (scenario) organiseren en
plannen respons
- Generaliseerde motorische programma: ophalen uit zijn langer termijn geheugen alleen als het
gekunde motoriek is
- Parametrisatie: krachtgeneratie gaan instellen, doseren van de kracht, snelheid, bewegingsuitslag
ampitude, richting
- Spierinitiatie: motorunits selecteren die bijdragen aan de beweging, posturale controle, as van
bewegen, biomechanica
- Perifere zenuwtransmissie: impuls bij motorische voorhoorncel. De prikkel gaat daarnaartoe dan
naar de spier.
- Motorische gedrag myosine en actine trekken samen
- Ten slotte vindt dan de output plaats. Deze is motorisch
Feedback: closed loop
- Nieuwe bewegingen, bewegingen die precisie nodig hebben
- Langere bewegingstijd
- Je moet bijsturen
- M1 monosegmentale 30-50
- M2 multisegmentale 50-80
- M3 topdown 120-180
Feedforward: open loop
- Korte bewegingstijd
- Je hoeft niet bij te sturen
4. Algemene observatie
Doel bereikt?
Kwantitatief (hoe vaak)
Consistent
Vloeiendheid
Balans
Posturale controle
Visuele controle
A Symmetrie
Hand of voet voorkeur
Explosief
Amplitudo
Balans landing
Flexibiliteit
Snelheid
Nauwkeurig
Ritme
Vrijheidsgraden
- Flexie/extensie
- Exorotatie/endorotatie
- Abductie/adductie
Mate van beheersing
- Cognitief: nog veel overdenken (aanleren)
- Associatief: kan beweging uitvoeren, maar niet in een open omgeving
- Autonoom: gaat vanzelf
, 5. Specifieke observatie
- Fase benoemen
- In welke vlak beweegt
o Transversale vlak: exorotatie/endorotatie
o Frontale vlak: abductie/adductie
o Sagittaal vlak: flexie/extensie
- Hoe is zijn start houding
- Benoem de delen die je ziet in de volgorde van de criteria
- Benoem de amplitudo
- Benoem wanneer een strekking is
- Benoem de afzethoek
- Geef aan als je een interpretatie geeft
- Symmetrisch
- Benoem evenwicht compensaties
- Hoe vangt hij het op?
- Spieren benoemen
Vragen voor de spieren:
1. Van waar naar waar gaat het gewricht?
2. Is dat met de zwaartekracht mee of tegen?
3. Wil je sneller of langzamer dan de zwaartekracht?
4. Wil je dan versnellen of vertragen?
5. Gebruik je agonisten of antogonisten?
6. Welke spieren zijn dat?
7. Hoe heet deze contractie?