Samenvatting Fysiologie, Thema 7
Week 1:
Respiratoir systeem.
Dit is een andere benaming voor ‘het
ademhalingssysteem’.
Respiratie: Ademhaling.
Longventilatie: De in- en uitstroom van
lucht.
Centraal staat dat je de patiënt met deze
problemen gaat trainen.
Welke route legt de
zuurstofmolecuul/ingeademde lucht af?
Neus:
Neusharen: Functie van de
neusharen is het
filteren/buitenhouden van de
stof. Dit heeft betrekking op
de grote stofdeeltjes. De kleine stofdeeltjes blijven plakken in het
slijmvlies.
Reuk: Keuren van de lucht die je inademt.
Kleine bloedvaatjes: De functie van deze kleine bloedvaatjes is het
verwarmen en bevochtigen van de lucht. Waarom verwarmen zij de
lucht? Hierdoor wordt de uitwisseling vergemakkelijkt en versneld. Dit
noemt men diffusie.
Amandel: Deze speelt een rol bij de opbouw van het afweersysteem.
Deze bevindt zich op de overgang van neus- en keelholte.
Keelholte:
Pharynx: De keelholte. Daar vindt ook verwarming en bevochtiging
plaats.
Epiglottis: Het strottenhoofdklepje. De functie hiervan is het afsluiten
van de luchtweg wanneer je slikt.
Larynx: Het strottenhoofd. In het strottenhoofd zitten de stembanden.
Trachea: De luchtpijp. Om de luchtpijp zitten hoefijzervormig
kraakbeen. Hier om heen zit gladspierweefsel. Hier vindt constrictie en
dilatatie plaats. In de luchtpijp noem je dit bronchoconstrictie en
bronchodilatatie. Hiermee kan je de doorsnede beïnvloeden.
Bronchiën: Van de luchtpijp(=trachae) ga je naar de bronchiën.
Diffusie: Verplaatsing van stoffen vanaf een plaats met een hoge concentratie naar
plaatsen met een lage concentratie van die stof. In dit geval gaat het om de
verplaatsing van zuurstof(=O2) en kooldioxide(=CO2).
Week 1:
Respiratoir systeem.
Dit is een andere benaming voor ‘het
ademhalingssysteem’.
Respiratie: Ademhaling.
Longventilatie: De in- en uitstroom van
lucht.
Centraal staat dat je de patiënt met deze
problemen gaat trainen.
Welke route legt de
zuurstofmolecuul/ingeademde lucht af?
Neus:
Neusharen: Functie van de
neusharen is het
filteren/buitenhouden van de
stof. Dit heeft betrekking op
de grote stofdeeltjes. De kleine stofdeeltjes blijven plakken in het
slijmvlies.
Reuk: Keuren van de lucht die je inademt.
Kleine bloedvaatjes: De functie van deze kleine bloedvaatjes is het
verwarmen en bevochtigen van de lucht. Waarom verwarmen zij de
lucht? Hierdoor wordt de uitwisseling vergemakkelijkt en versneld. Dit
noemt men diffusie.
Amandel: Deze speelt een rol bij de opbouw van het afweersysteem.
Deze bevindt zich op de overgang van neus- en keelholte.
Keelholte:
Pharynx: De keelholte. Daar vindt ook verwarming en bevochtiging
plaats.
Epiglottis: Het strottenhoofdklepje. De functie hiervan is het afsluiten
van de luchtweg wanneer je slikt.
Larynx: Het strottenhoofd. In het strottenhoofd zitten de stembanden.
Trachea: De luchtpijp. Om de luchtpijp zitten hoefijzervormig
kraakbeen. Hier om heen zit gladspierweefsel. Hier vindt constrictie en
dilatatie plaats. In de luchtpijp noem je dit bronchoconstrictie en
bronchodilatatie. Hiermee kan je de doorsnede beïnvloeden.
Bronchiën: Van de luchtpijp(=trachae) ga je naar de bronchiën.
Diffusie: Verplaatsing van stoffen vanaf een plaats met een hoge concentratie naar
plaatsen met een lage concentratie van die stof. In dit geval gaat het om de
verplaatsing van zuurstof(=O2) en kooldioxide(=CO2).