De persoonsvorm is altijd een werkwoord.
De persoonsvorm zegt iets over wat iets of iemand doet.
De persoonsvorm kan veranderen van vorm als de persoon verandert.
Voorbeeld: Ik loop in het bos en jij loopt in het bos.
Uitleg: De persoon ik verandert in jij en de vorm van lopen is ook
veranderd, want eerst was het loop en nu loopt. Dus in dit geval zijn de
persoonsvormen loop en loopt.
Er zijn 3 manieren om een persoonsvorm te kunnen vinden.
Vraagproef:
Deze manier gebruik je door van de zin een vraagzin te maken, dan
komt de persoonsvorm vooraan te staan.
Voorbeeld: De olifant drinkt water.
Toepassing regel: Drinkt de olifant water?
Antwoord: Drinkt is de pv, want die komt vooraan te staan.
Tijdproef:
Deze manier gebruik je door de zin in een andere tijd te zetten,
hierdoor verandert ook de persoonsvorm.
Voorbeeld: Ik val op de grond.
Toepassing regel: Ik viel op de grond of ik was gevallen op de grond.
Antwoord: Val is de pv, want die verandert van tijd.
Getalproef:
Deze manier gebruik je door het zelfstandig naamwoord in het
meervoud of het enkelvoud te zetten, dan verandert de persoonsvorm
ook.
Voorbeeld: Het dier eet.
Toepassing regel: De dieren eten.
Antwoord: Eten is de pv, omdat die verandert en dieren is hier het
zelfstandig naamwoord.