Geotechniek 5+6 Kwartiel 2
Grond
- verweerd materiaal
- Grondmechanica: de wetenschap van het gewicht en de bewegingen van grondlichamen
- Historie: afschuiving spoorbaan bij Weesp
- NEN-normen, EUROCODE, CUR-richtlijnen
Grondtechniek: verzamelnaam voor onderwerpen betrekking hebbende op grond en
grondmechanica.
Geotechnici trachten te voorspellen hoe grond zich gedraagt
- funderingen van constructies (bruggen, sluizen, tunnels, gebouwen, woningen)
- het ontgraven van bouwkuipen
- het aanleggen van rioleringen, kabels, leidingen (zettingen)
- de aanleg van wegen, dijken, gronddepots, enz (zettingen)
We maken gebruik van: wetten uit grondmechanica, praktijkervaring, proefondervindelijk
onderzoek.
Grondsoorten:
- Grind/zand (loskorrelig, goed doorlatend, weinig samendrukbaar, ‘sterk’ materiaal)
- Klei (kleine dunne plaatjes, cohesief (samenhangend), slecht doorlatend, goed
samendrukbaar)
- Veen (dood plantaardig materiaal (in gedroogde vorm: turf), enigszins cohesief
(samenhangend), slecht doorlatend, zeer goed samendrukbaar, slap)
- Silt qua korrelgrootte (en eigenschappen) tussen klei en zand in (eigenlijk is het extreem
fijn zand)
- Leem fijnkorrelig, samenstelling van klei, silt en zand
Bijzondere eigenschappen grond:
- Kan geen trekspanningen opvangen, wel druk- en schuifspanningen
- Bij alzijdige samendrukking wordt de grond stijver
- Vervormingen zijn bij klei en veen sterk tijdsafhankelijk
- Water in de poriën, grote invloed op gedrag van grond
- Grond is inhomogeen: in verschillende richtingen verschillende eigenschappen
Geotechnisch ontwerpers moeten ontwerpen met grond en dus rekening houden met deze
‘bijzondere’ eigenschappen. Omdat de hoeveelheid informatie (grondonderzoek) soms
beperkt is, gaan voorspellingen in grondgedrag (bouwkuipen, funderingen, zettingen, enz)
Grond
- verweerd materiaal
- Grondmechanica: de wetenschap van het gewicht en de bewegingen van grondlichamen
- Historie: afschuiving spoorbaan bij Weesp
- NEN-normen, EUROCODE, CUR-richtlijnen
Grondtechniek: verzamelnaam voor onderwerpen betrekking hebbende op grond en
grondmechanica.
Geotechnici trachten te voorspellen hoe grond zich gedraagt
- funderingen van constructies (bruggen, sluizen, tunnels, gebouwen, woningen)
- het ontgraven van bouwkuipen
- het aanleggen van rioleringen, kabels, leidingen (zettingen)
- de aanleg van wegen, dijken, gronddepots, enz (zettingen)
We maken gebruik van: wetten uit grondmechanica, praktijkervaring, proefondervindelijk
onderzoek.
Grondsoorten:
- Grind/zand (loskorrelig, goed doorlatend, weinig samendrukbaar, ‘sterk’ materiaal)
- Klei (kleine dunne plaatjes, cohesief (samenhangend), slecht doorlatend, goed
samendrukbaar)
- Veen (dood plantaardig materiaal (in gedroogde vorm: turf), enigszins cohesief
(samenhangend), slecht doorlatend, zeer goed samendrukbaar, slap)
- Silt qua korrelgrootte (en eigenschappen) tussen klei en zand in (eigenlijk is het extreem
fijn zand)
- Leem fijnkorrelig, samenstelling van klei, silt en zand
Bijzondere eigenschappen grond:
- Kan geen trekspanningen opvangen, wel druk- en schuifspanningen
- Bij alzijdige samendrukking wordt de grond stijver
- Vervormingen zijn bij klei en veen sterk tijdsafhankelijk
- Water in de poriën, grote invloed op gedrag van grond
- Grond is inhomogeen: in verschillende richtingen verschillende eigenschappen
Geotechnisch ontwerpers moeten ontwerpen met grond en dus rekening houden met deze
‘bijzondere’ eigenschappen. Omdat de hoeveelheid informatie (grondonderzoek) soms
beperkt is, gaan voorspellingen in grondgedrag (bouwkuipen, funderingen, zettingen, enz)