Probleem 6
Diepte zien
BLAKE EN SEKULER (2005)
GOLDSTEIN (2010)
Vignet: viewmaster
Hoe zorgt je oog voor het zien van diepte?
Op deze vraag zijn verschillende antwoorden. Eén daarvan is de cue approach: kenmerken (cues)
van de info die op de retina terechtkomt, maken het mogelijk diepte te zien. Er zijn drie groepen
cues: occulomotorische cues, monoculaire cues en binoculaire cues.
Occulomotorische cues bevatten informatie over de stand van de ogen (convergentie) en de
accommodatie van de lens. Wanneer we een object dichtbij bekijken, draaien de ogen namelijk naar
elkaar toe en wordt de lens boller en wanneer een object ver weg is, kijken de ogen recht vooruit en
is de lens platter. Er is dan minder spanning.
Monoculaire cues werken met één oog. Er zijn drie vormen van: occulomotorische, beeld- en
bewegingscues.
Beeldcues bevatten info over diepte die ook in 2d weergegeven kunnen worden, bijvoorbeeld op
een schilderij en op de retina. We noemen een aantal voorbeelden bij de onderzoeksvraag ‘Op
welke manieren kun je diepte creëren in afbeeldingen?’
Bewegingscues bevatten info over diepte die pas waargenomen kan worden als degene die kijkt
aan het bewegen is.
Bewegingsparralax: wanneer je beweegt, verschuiven objecten dichtbij heel snel door je
beeld en objecten ver weg veel langzamer.
Deletie en accretie: wanneer je met één oog kijkt, verandert de overlapping wanneer je je
hoofd draait.
Binoculaire cues werken met twee ogen. Hierbij gaat het vooral om binoculaire
ongelijkheid(dispariteit), het verschil tussen het beeld in het linker- en rechteroog. Een belangrijk
begrip hierbij is corresponderende punten op de retina, dus de punten die op elkaar zouden
Diepte zien
BLAKE EN SEKULER (2005)
GOLDSTEIN (2010)
Vignet: viewmaster
Hoe zorgt je oog voor het zien van diepte?
Op deze vraag zijn verschillende antwoorden. Eén daarvan is de cue approach: kenmerken (cues)
van de info die op de retina terechtkomt, maken het mogelijk diepte te zien. Er zijn drie groepen
cues: occulomotorische cues, monoculaire cues en binoculaire cues.
Occulomotorische cues bevatten informatie over de stand van de ogen (convergentie) en de
accommodatie van de lens. Wanneer we een object dichtbij bekijken, draaien de ogen namelijk naar
elkaar toe en wordt de lens boller en wanneer een object ver weg is, kijken de ogen recht vooruit en
is de lens platter. Er is dan minder spanning.
Monoculaire cues werken met één oog. Er zijn drie vormen van: occulomotorische, beeld- en
bewegingscues.
Beeldcues bevatten info over diepte die ook in 2d weergegeven kunnen worden, bijvoorbeeld op
een schilderij en op de retina. We noemen een aantal voorbeelden bij de onderzoeksvraag ‘Op
welke manieren kun je diepte creëren in afbeeldingen?’
Bewegingscues bevatten info over diepte die pas waargenomen kan worden als degene die kijkt
aan het bewegen is.
Bewegingsparralax: wanneer je beweegt, verschuiven objecten dichtbij heel snel door je
beeld en objecten ver weg veel langzamer.
Deletie en accretie: wanneer je met één oog kijkt, verandert de overlapping wanneer je je
hoofd draait.
Binoculaire cues werken met twee ogen. Hierbij gaat het vooral om binoculaire
ongelijkheid(dispariteit), het verschil tussen het beeld in het linker- en rechteroog. Een belangrijk
begrip hierbij is corresponderende punten op de retina, dus de punten die op elkaar zouden