Accessoiriteitsbeginsel: de uitgelokte kan het plan helemaal niet uitvoeren en komt slechts tot een
voorbereiding of een poging.
Nemo tenetur beginsel: niemand hoeft mee te werken aan zijn eigen strafrechtelijke procedure.
Beginsel van redelijke en billijke belangenafweging: er moet voldaan worden aan de eisen van
subsidiariteit en proportionaliteit.
Beginsel van zuiverheid van oogmerk: bevoegdheden mogen alleen gebruikt worden voor het doel
waarvoor ze gegeven zijn.
Vertrouwensbeginsel: als een vertegenwoordiger van de overheid een toezegging doet aan een
burger, moet deze doorgaans ook gehonoreerd worden. Dit hoeft alleen niet als zwaarwichtige
belangen zich hiertegen verzetten.
Gelijkheidsbeginsel: gelijke gevallen moeten gelijk behandeld worden. Er zijn echter bijna nooit
compleet gelijke gevallen, dus er wordt eerder gezegd dat ongelijke gevallen ongelijk behandeld
moeten worden.
Territorialiteitsbeginsel: als de Nederlandse strafwet geen toepassing heeft op een bepaald strafbaar
feit, heeft de officier van justitie geen recht tot vervolging.
Personaliteitsbeginsel: bepaalde misdrijven, gepleegd door Nederlanders vallen wel onder het
Nederlandse strafrecht.
Formele onmiddellijkheidsbeginsel: de rechter mag bij de bewijsbeslissing alleen rekening houden met
wat er tijdens het onderzoek ter terechtzitting aan de orde is gesteld.
Draagkrachtbeginsel: de verdachte moet zodanig gestraft worden dat de bestraffing passend is, maar
dat de verdachte niet onevenredig moet worden getroffen in zijn vermogen.
Proportionaliteitsbeginsel: de straf moet in verhouding staan tot het gepleegde delict.
Materiële onmiddellijkheidsbeginsel: de zittingsrechter raadpleegt de meest authentieke bron voor
het bewijs.