TOE DEELTT 1
Categorische variabelen nominaal meetniveau
Nominaal= kwalitatief zonder ordening
Kwantitatieve variabelen ordinaal, interval en ratio meetniveau.
Ordinaal= kwalitatief of kwantitatief met ordening.
Interval= natuurlijke ordening, meetbaar en relevant. Interval variabelen
hebben geen absoluut nulpunt.
Ratio= interval variabelen, met wel een absoluut nulpunt waarbij een
waarde van 0 de afwezigheid van de gemeten variabelen betekent. Geen
negatieve getallen.
1. Internevaliditeit: validiteit van het onderzoek
2. Begripsvaliditeit: validiteit van het meetinstrument.
Subjectief=
Indruksvaliditeit: hoe beoordelen experts dit meet instrument?
Inhoudsvaliditeit: meet het meetinstrument wel alle aspecten van het
theoretische begrip?
Objectief/ empirisch=
Convergent validiteit: komen de metingen van dit meetinstrument en
metingen van een ander meetinstrument overeen?
Divergente validiteit: hangen de metingen van dit meetinstrument juist
niet samen met echt andere kenmerken?
Criterium validiteit: hangen de metingen van dit meetinstrument
samen met een andere uitkomstvariabelen waarvan we weten dat er een
verband hoort te zijn?
3. Statistische validiteit:
Beoordelen van alle statistieken die zijn gebruikt in een onderzoek statische validiteit
Relevantie= cohen D
Nauwkeurigheid= betrouwbaarheidsinterval
Geschiktheid= controleren van de assumpties
Significantie= t en p
4. Externe validiteit:
Test-hertest betrouwbaarheid= geeft het meetinstrument
consequente scores wanner onderzoekers het meerdere keren gebruiken.
Als goed beschouwd boven de r=0,50
Interbeoordelaarsbetrouwbaarheid: geeft het meetinstrument
consequente scores wanneer verschillende onderzoekers het gebruiken.
Goed vanaf r=0,70.
Interne betrouwbaarheid= geven respondenten soortgelijke
antwoorden op verschillende vragen over hetzelfde theoretische begrip?
Gemeten met Cronbach’s alfa. Goed vanaf r=0,70
COLLEGE 1
Organische data, perongelijk=
- Aspirational: wordt toevallig al verzameld, niet voor onderzoek als doel
, - Transactional: verzamelt door transacties, betalen
Designed/ correlationele data, bewust=
- Experiment:
- Survey: verzamelt aan de hand van een vragenlijst
- Administrative: verzamelt met administratieve functie, met een doel
Interne validiteit= oorzaak-gevolg
Externe validiteit= generaliseren naar grotere groep
Inferentiele statistiek: beschrijvend, causaal, voorspellend onderzoek.
Survey models:
Face to face (CAPI: computer insisted personal interview)
Post, op papier
Telefoon (CATI: computer insisted telephone interview)
Internet
Mixed methode
Verschillen:
Interviewer betrokkenheid, invloed
Interatie met respondent
Privacy
Visuele of auditieve informatie
Technologie gebruik
Panel= groep mensen die mee in heeft gestemd om over een langere tijd vragenlijsten in te
vullen.
Attrition threats= drop out
Learning effect= leren van eerdere prestaties
Cohort effecten= verschillen in groepen. Verschillende dingen meegemaakt.
Coderen
Likertschaal ordinaal meetiveau item score
- Optellen van item scores. Probleem= kan niet niet vragen invullen
- Gemiddelden van item scores.
Reversely phrased items: andersom coderen, vraagstelling verkeerd om. Zijn bedoelt om de
respondent alert te houden.
Schaalscore= interval meetniveau: geen 0, even grote schillen, 4 is niet 2x zoveel als 2.
COLLEGE 2
Validiteit= meet het wat het hoort te meten.
Indruks:
Inhouds:
Convergent: hangen metingen samen met een ander meetinstrument
Divergent: hangen de metingen niet samen met een ander meetinstrument
Categorische variabelen nominaal meetniveau
Nominaal= kwalitatief zonder ordening
Kwantitatieve variabelen ordinaal, interval en ratio meetniveau.
Ordinaal= kwalitatief of kwantitatief met ordening.
Interval= natuurlijke ordening, meetbaar en relevant. Interval variabelen
hebben geen absoluut nulpunt.
Ratio= interval variabelen, met wel een absoluut nulpunt waarbij een
waarde van 0 de afwezigheid van de gemeten variabelen betekent. Geen
negatieve getallen.
1. Internevaliditeit: validiteit van het onderzoek
2. Begripsvaliditeit: validiteit van het meetinstrument.
Subjectief=
Indruksvaliditeit: hoe beoordelen experts dit meet instrument?
Inhoudsvaliditeit: meet het meetinstrument wel alle aspecten van het
theoretische begrip?
Objectief/ empirisch=
Convergent validiteit: komen de metingen van dit meetinstrument en
metingen van een ander meetinstrument overeen?
Divergente validiteit: hangen de metingen van dit meetinstrument juist
niet samen met echt andere kenmerken?
Criterium validiteit: hangen de metingen van dit meetinstrument
samen met een andere uitkomstvariabelen waarvan we weten dat er een
verband hoort te zijn?
3. Statistische validiteit:
Beoordelen van alle statistieken die zijn gebruikt in een onderzoek statische validiteit
Relevantie= cohen D
Nauwkeurigheid= betrouwbaarheidsinterval
Geschiktheid= controleren van de assumpties
Significantie= t en p
4. Externe validiteit:
Test-hertest betrouwbaarheid= geeft het meetinstrument
consequente scores wanner onderzoekers het meerdere keren gebruiken.
Als goed beschouwd boven de r=0,50
Interbeoordelaarsbetrouwbaarheid: geeft het meetinstrument
consequente scores wanneer verschillende onderzoekers het gebruiken.
Goed vanaf r=0,70.
Interne betrouwbaarheid= geven respondenten soortgelijke
antwoorden op verschillende vragen over hetzelfde theoretische begrip?
Gemeten met Cronbach’s alfa. Goed vanaf r=0,70
COLLEGE 1
Organische data, perongelijk=
- Aspirational: wordt toevallig al verzameld, niet voor onderzoek als doel
, - Transactional: verzamelt door transacties, betalen
Designed/ correlationele data, bewust=
- Experiment:
- Survey: verzamelt aan de hand van een vragenlijst
- Administrative: verzamelt met administratieve functie, met een doel
Interne validiteit= oorzaak-gevolg
Externe validiteit= generaliseren naar grotere groep
Inferentiele statistiek: beschrijvend, causaal, voorspellend onderzoek.
Survey models:
Face to face (CAPI: computer insisted personal interview)
Post, op papier
Telefoon (CATI: computer insisted telephone interview)
Internet
Mixed methode
Verschillen:
Interviewer betrokkenheid, invloed
Interatie met respondent
Privacy
Visuele of auditieve informatie
Technologie gebruik
Panel= groep mensen die mee in heeft gestemd om over een langere tijd vragenlijsten in te
vullen.
Attrition threats= drop out
Learning effect= leren van eerdere prestaties
Cohort effecten= verschillen in groepen. Verschillende dingen meegemaakt.
Coderen
Likertschaal ordinaal meetiveau item score
- Optellen van item scores. Probleem= kan niet niet vragen invullen
- Gemiddelden van item scores.
Reversely phrased items: andersom coderen, vraagstelling verkeerd om. Zijn bedoelt om de
respondent alert te houden.
Schaalscore= interval meetniveau: geen 0, even grote schillen, 4 is niet 2x zoveel als 2.
COLLEGE 2
Validiteit= meet het wat het hoort te meten.
Indruks:
Inhouds:
Convergent: hangen metingen samen met een ander meetinstrument
Divergent: hangen de metingen niet samen met een ander meetinstrument