Doel van het vak: Studenten bekend maken met de rol van informate en informate-systemen binnen
organisates, door inzicht te geven in:
• De rol van informatie om bedrijfsprocessen op een succesvolle manier uit te voeren en te sturen,
op verschillende management niveaus.
• De benodigde informatiebehoefen en informate verwerkende actviteiten.
• De verschillende typen bedrijfsinformatiesystemen en hun specifeke functonaliteiten.
• Het verloop van een ICT-pakketselectieproces.
Wat is een orianisatiee
Een samenwerkinisverband van mensen die een iemeenschappelijk doel nastreven. Gericht op
voortbestaan (intern) en op het voorzien in maatschappelijke behoefe (extern).
Wat is informatiee
Informate is verbindende schakel tussen verschillende actviteiten van processen.
Informatiestromen binnen een orianisatie
D ir e c tie
V e ra n tw o o rd in g
S tu r in g
In k o o p g e g e v e n s P r o d u c tie g e g e v e n s
In k o o p P r o d u c tie V e rk o o p
P r o d u c tie g e g e v e n s V e rk o o p g e g e v e n s
In k o o p g e g e v e n s
V e rk o o p g e g e v e n s
in fo r m a tie s tr o o m
Informatie en orianisatie
Belani van informatievoorzienini
, Modelleren (in kaart brenien) van informatiestromen
Dit doe je doormiddel van een DFD, hierin staan de informatestromen en waar deze word opgeslagen.
Contextdiairam: Detaillering = Niveau 1-diairam: Detaillering = Niveau 2-diairam:
Symbolen in een DFD
Een vierkant staan op het begin en op het eind. Dat is de voorraad (bron) en klant (doel).
Een pijl geef een fow aan, een gegevens- of goederenstroom.
Een vierkant met ronde hoeken geef een proces weer, de actviteit die wordt uitgevoerd.
Een rechthoek met een open zijde rechts (store), geef een opslagplaats van gegevens (of goederen) weer.
Een pijl met stippellijn geef een controle fow weer.
Alles tussen □ voorraad en □ gast word terminator genoemd.
Les 2
De plaats van computers en computerproiramma’s in een orianisatie
(aanvulling belang vd informatevoorziening)
De componenten van een informatiesysteem (spinmodel) Voorbeelden:
1. Bestelorders, nieuwe
producten en nieuwe
klanten.
2. Orders, producten en
klanten.
3. Vasteleggen: orders,
producten en klanten.
Opstellen: overzichten en
prognoses.
4. Geregistreerde orders,
vraagprognose en
afzetoverzicht.
5. Programma’s:
Orderregistrate.
Procedures: te late orders, nabestellingen, verspreiding uitvoergegevens, beheer en beveiliging.
6. Verkoop, distribute, beheer en beveiliging.