Bouw plant
- Organen → wortel, stengel, blad
o Bestaan uit;
▪ Dekweefsel (buitenzijde plant) → beschermt
plant tegen waterverlies en infecties
▪ Vaatweefsel → transportvaten (houtvaten,
bastvaten)
• Houtachtige stengels → houtvaten in
jaarringen, bastvaten eromheen
• Kruidachtige stengels → vaten liggen bij
elkaar in vaatbundels
• In bladeren → vaten in nerven
▪ Vulweefsel (grondweefsel) → fotosynthese, opslag en stevigheid
• Tussen dekweefsel en vaatweefsel
Groei en ontwikkeling plant
- Planten groeien hele leven (gunstige omstandigheden → voldoende
water/mineralen, zuurstof, koolstofdioxide, licht, geschikte
temperatuur)
o Cellen kunnen zich specialiseren
o Organen veranderen / nieuwe organen ontstaan
- Deling vindt plaats in meristemen (deelweefsels)
o In meristeem komen stamcellen voor
▪ Er ontstaan 2 dochtercellen → 1 blijft meristeemcel
en gaat zich weer delen, 2 ondergaat celstrekking (cel
groeit door opname water → celdifferentiatie en
celspecialisatie)
o Bevinden zich in toppen wortels en stengels (groeipunten →
lengtegroei), in knoppen en in jonge bladeren
▪ Diktegroei → in het ringvormige meristeem (cambium)
• Cellen in het cambium delen zich
• 1 van de 2 dochtercellen blijft in het cambium liggen → de andere
komt buiten het cambium
• Naar binnen toe worden houtcellengevormd, naar buiten worden
bastcellen gevormd
• Als het hout dat gedurende 1 jaar is gevormd → jaarring
o Voorjaarshout (lichte kleur → wijde houtvaten met dunne
wanden die veel water en opgeloste stoffen vervoeren
o Zomerhout (donkere kleur) → nauwere houtvaten met
dikkere wanden
, Plastiden → celorganellen met functie bij fotosynthese, het lokken van insecten en het opslaan van
reservestoffen
- Plastiden worden gevormd uit proplastiden (in het meristeem)
o In het donker worden daaruit etioplasten gevormd → bladgroenkorrels die nog niet
aan licht zijn blootgesteld
▪ In het licht ontstaan hieruit chloroplasten (bladgroenkorrels) → groene
kleur, fotosynthese
• Chromoplasten (kleurstofkorrels) ontwikkelen zich uit chloroplasten
o Leukoplast is kleurloos en gespecialiseerd in het opslaan van:
▪ Amyloplasten (zetmeel)
▪ Elaioplasten (olie)
▪ Proteïnoplasten (eiwit)
- Plastiden kunnen in ander type overgaan
o Bij rijpende tomaat worden chloroplasten omgezet in rode chromoplasten
o Chloroplasten kunnen veranderen in leukoplasten en andersom
Transport in planten → via houtvaten en bastvaten
- Planten nemen via wortels water en mineralen op → vooral via wortelharen (uitgegroeide
epidermis cellen)
o Houtvaten en bastvaten liggen in centrale cilinder
▪ Buitenste laag centrale cilinder heet de endodermis → selectieve opname
mineralen
o Water met mineralen wordt via wortelharen opgenomen en diffundeert via schors
naar endodermis
▪ In endodermis → bandje van Caspary
• Ondoordringbaar voor water en mineralen
• Ligt aan zijkant, bovenkant en onderkant → water kan alleen naar de
centrale cilinder via celwand aan kant van de schors
• Worteldruk
o Endodermis celmembraan transporteert actief mineralen
naar centrale cilinder
o Osmotische waarde in centrale cilinder wordt hoger dan in
schors
o Door osmose diffundeert er water naar centrale cilinder
o Bandjes van Caspary verhinderen dat het water met
mineralen kan terugstromen naar de schors
o Water met mineralen stijgt daardoor in houtvaten