Aanpassingen
Alle organismen hebben aanpassingen aan hun leefwijze en hun leefomgeving
Door aanpassingen kunnen organismen (of delen van organismen) deze
functies beter vervullen, zoals:
o Ademhaling
o Beweging
o Voeding
o Verdediging
o Voortplanting
Leefomgeving
Dieren die in het water leven, hebben aanpassingen die dat mogelijk maken.
Vissen
o Hebben kieuwen om te ademen
o Hebben vinnen om zich in het water rechtop te houden
o Huid is bedekt met schubben met daaroverheen een laag slijm.
Daardoor is de huid heel glad en weinig weerstand bij zwemmen
o Lichaamsvorm van vissen zorgt voor weinig weerstand. Kop, romp
en staart gaan geleidelijk in elkaar over. Deze lichaamsvorm noem
je gestroomlijnd
Planten die in het water leven
o Weinig stevige delen, ze worden gedragen door het water
o Stengels zijn slap
o Omdat planten licht nodig hebben voor fotosynthese, groeien de
meeste waterplanten in de bovenste laag van het water.
Planten die op het land leven
o Moeten zich beschermen tegen uitdroging
Kleine dikke bladeren kunnen goed vocht vasthouden
Uit grote, platte bladeren verdampt het water gemakkelijker.
In grote bladeren kan wel meer fotosynthese plaatsvinden